Uit 't Copy van Clason

off
27 januari 2017

Kort verhaal

Het shirt

Ik wist het toen ik het in de kast zag liggen. Ja, het was zwart. Net zoals al mijn shirts. Maar deze was niet van mij. Ik hoefde het niet eens aan te trekken om te weten dat dit shirt nooit mijn lijf verwarmde.

Ik heb het op het bed gelegd. Eerst een tijdje ernaar gekeken. De maat was hetzelfde. Het zwart net zo vaal als de kleur van mijn oudste shirts. Het merkje kon ik niet ontcijferen, ook dat was te veel gewassen.

Ik hield de mouwen in het licht, ze waren bij de randen versleten. De kraag was nog rond. De eigenaar had het kledingstuk met zorg over zijn hoofd getrokken. Niet zoals ik dat deed in de haast, wijd opengetrokken en altijd denkende dat ik een groter hoofd heb dan het is. Het rook naar ons wasmiddel. Met heel in de verte een zweempje van een geur die ik niet kende. Of misschien verbeeldde ik me dat wel.

Een paar dagen wachtte ik. Ik moest zeker zijn. Of nee, niet zeker. Ik wist niet hoe ik het aan moest pakken. Ze was lief die uren dat ik vertwijfeld door het huis liep. Voelde ze het aan? Ik weet het niet, maar ze moet me wat stil hebben gevonden. Stiller. Want veel praten doe ik nooit.

We gingen naar vrienden, aten twee keer in een restaurant. We fietsten naar het dorp en namen de trein naar de stad waar zij graag naar architectuur keek. We lachten zelfs samen bij een theaterstuk. Soms keek ik ongezien naar haar. Eigenlijk deed ik dat altijd wel, maar dit was anders. Ongezien omdat ze niet mijn twijfelende blik zag. Of de angst. Ik keek naar mijn vrouw alsof ik haar voor het eerst zag. Haar lach, de krullen die ze met een wilde beweging uit haar ogen streek. Ik zag de kuiltjes onder aan haar rug. Ze had zwarte rouwrandjes onder haar nagels, maar ik plaagde haar niet dit keer. Mijn tuinnimfje noemde ik haar, altijd maar woelend in die verdomde aarde. Nu wilde ik niet plagen. Ik wilde vragen stellen, maar deed het niet.

Ik hield het vier dagen vol. Tot ik ’s avonds, vlak voor ze naar boven wilde gaan, haar hand pakte. Ze keek me vragend aan en vlijde zich tegen mijn borst. Hoe moest ik dit doen? Ze streelde mijn wang. Zei iets over een serie die ze morgen graag met me kijken wilde. Ik luisterde niet goed. Vond de juiste woorden niet. Dus liet ik haar naar de slaapkamer gaan.

Die ochtend, ik hoorde dat ze wakker was, stelde ik toch de vraag. ‘Ellen?’ Ze mompelde wat en trok het dekbed over haar schouder. ‘Ellen? Ik heb een vreemd mannenshirt gevonden.’ Ik zag dat ze haar adem inhield, maar ze bleef met haar rug naar me toe liggen. We zwegen allebei. Tot ze na een paar minuten – meer dan een paar minuten kan het niet zijn geweest, maar het voelde langer aan dan ik kan omschrijven – haar kussen rechtop zette en me aankeek. Haar blik was rustig. Wonderbaarlijk open ook. Ze vroeg me het shirt te laten zien. Dat deed ik. ‘Maar ik hou van je’, zei ik. Ze knikte. ‘Ik van jou. En ja. Het is niet jouw shirt.’ We keken elkaar aan. ‘Het zal niet meer gebeuren.’ Ze legde haar handpalm op mijn hand.

Ik weet niet goed meer waarom, maar daar nam ik genoegen mee. Het zou niet meer gebeuren. Dat leek me het beste antwoord op dat moment. Wat precies nooit meer zou voorvallen, dat wist ik op dat moment nog niet. Maar de opluchting dat ze zei van me te houden, was groter dan de wens alles te willen begrijpen en weten.

We fietsten. Aten. Zwommen. Vlogen naar verre landen en kwamen weer terug. Ze lachte veel, was vrolijk. Ze hield van me. Dat wist ik zeker. Maar heel soms was ze ineens in zichzelf gekeerd, ze staarde dan in de verte. Ik keek naar haar als ze dat deed. Ze reisde met haar ogen weg van de plek waar wij zaten. Weg van het strand. Weg van de huiskamer. En waarnaartoe? Dat stond ik mezelf nooit toe om daarover na te denken. Want ze keerde immers altijd weer terug. Onveranderd. Liefhebbend. Ik voelde nooit dat haar gedachten waren achtergebleven op de plek waar ze naartoe was gegaan. Dus staarde ik naar haar staren. Tot ze ontwaakte en weer bij me was.

Jaloezie stopte ik vanaf de vondst van het shirt weg. Dieper dan diep. Onder de lagen van ons gezamenlijke verleden. Ik kon niet jaloers zijn na het leven dat ik al met haar gedeeld had voor het shirt ooit in elkaar genaaid was. Ik dacht wel vaak aan haar handen die de was hadden gedaan. Ze had haar spullen uit haar tas gehaald, op kleur gesorteerd en gewassen. Ze had de natte kleding aan de lijn gehangen. Misschien zelfs in de droger gestopt. Ze had gevouwen, opgeruimd. Ze had niet gemerkt dat ze iets mee had genomen uit een parallelle wereld.

Een keer week ik van mijn routine af. Dat was minstens 8 jaar na het vinden van het shirt. Ik ben een man die nooit onverwachte dingen doet. Ik ben altijd op tijd waar ik moet zijn. Parkeer graag op dezelfde plek. Rijd niet te hard. En ja, wandel niet naast, maar op de paden. Het was vlak voor mijn pensioen dat ik niet deed wat ik altijd deed. Ik was vreselijk moe. Dus ging ik eerder naar huis. Toen ik de straat inreed zag ik haar uit een auto stappen. Ze boog naar de bestuurder. Kuste hem. En wandelde naar de voordeur. Ik reed ons huis voorbij. Ze zag me niet, ze zwaaide immers naar een ander. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik hem in tegengestelde richting wegrijden. De man die ook van haar hield had ik niet gezien. Zijn auto zag ik na dat voorval echter steeds vaker.

Wat ontbrak er aan mij dat ze wel bij hem vond? Ik denk nu, al die jaren later, dat het daar niets mee te maken had. Ze was een rustige vrouw. Een observerende vrouw en zag overal schoonheid. Ook in haar verliefdheid die niet meer stopte. Ze besloot in twee werelden te leven. In de ene wereld bestond ik. In de andere hij.

Onze werelden raakten elkaar voor het eerst tijdens de begrafenis. Nee, ik heb hem ook toen niet gezien. Maar wist zeker dat hij er was. Ik zag het bloemstuk met haar naam erop en een spreuk die ik ben vergeten. Zijn handschrift vond ik later tussen de condoleances in het boek. Zwierige letters, hellend naar rechts. Ik vergat hem, want het rouwen viel me zwaar. Nooit kregen Ellen en ik kinderen en het werd steeds moeilijker om mijn liefde voor haar te delen met mensen die net zoveel van haar hadden gehouden als ik.

Toen de bel ging, ergens in maart was het, Ellen was toen tien maanden dood, wist ik dat hij het was nog voor ik de deur opende. Een magere man. Nauwelijks jonger dan ik. Hij keek me aan. Hoe lang stonden we zo in de deuropening? Ik weet het niet meer. Hij haalde zijn hand door zijn haren. ‘Ik mis haar zo.’ Dat waren zijn eerste woorden. Ik knikte en liep zwijgend voor hem uit de kamer in.

De eerste minuten zaten we stil bij elkaar. Daarna begonnen we te praten. Over de vrouw in ons leven. We huilden samen.

Na die dag spraken we meerdere keren af. We raakten zelfs bevriend. Als je ons ziet wandelen zie je twee mannen van in de zeventig. En aan niets zal je merken dat deze twee mannen jarenlang een vrouw deelden. We hebben haar nooit de reden durven vragen. Want ook hij berustte in het feit dat zij van hem hield en bleef niet zoeken naar antwoorden. Door hem leerde ik Ellen nog beter kennen. En zie ik nu ook hoe twee mannen elkaar aanvulden en zo haar leven vervolmaakten.

Eén vraag, die ook hij wil weten, zou ik haar zo graag nog wel willen stellen.

Ellen, van wie was nou dat shirt?