Uit 't Copy van Clason

off
27 januari 2017

Kort verhaal

Aardig tot het pijn doet

Ze heeft weer een trainingspak aangetrokken. Alweer. Alsof we de godvergeten marathon lopen met z’n zessen. Ze strijkt met haar handen over de gladde stof. Het jasje kruipt wat op en ik zie een stuk van haar vel. Haar blote vel. Zomaar in mijn blikveld. Ik zou het elastiek met twee handen willen vastnemen en het hele jasje over haar kont trekken. ‘Zo. Dat zit beter.. weg met dat vel!’ Dat zou ik zeggen. Maar ik doe het niet, want dat is niet aardig. En we zijn heel aardig tegen elkaar.

Aardig tot het pijn doet aan je vullingen.

Els schraapt haar keel en merkt nu zelf dat haar jasje te kort is. ‘Oh…’ Ze trekt de stof over haar ontblote huid. ‘Loop ik zomaar mijn goddelijke lijf te showen.’ Haar accent druipt van elk gesproken woord af.

Ik heb zin om te huilen.

Het gekakel neemt toe. Zet zes vrouwen bij elkaar en ze doen hun best om boven de ander uit te komen. Luisteren is er niet bij. Els en Rieneke winnen het met gemak. Hun stemmen strijden in de ballonnetjes boven hun hoofden. Ze zijn een stripverhaal. De letters van Rieneke zijn in kapitalen. Die van Els cursief gedrukt. Lijzig is cursief. Uiteraard.

We steken over, zes vrouwen op weg naar de natuur. Ik weet niet meer waarom ik dit doe. In mijn eentje wandelen leek gevaarlijk. Eng misschien. Het kaartje bij de Albert Heijn: wandelgenoten gezocht, had me moeten waarschuwen. Ik zag het hangen toen ik de boodschappen opnieuw inpakte. Opgejaagd was ik geweest door de lopende band en de mensen achter mij. Ik gooide alles in de tas, om het later opnieuw te doen. Dat deed ik bij de wonderlijke kaartjes met vraag en aanbod. De bank die gratis opgehaald kon worden. De oppas die zo hard gewenst was. De jongen die voor 15 euro per uur iedereen wiskundeles wilde geven. Wandelgenoten klonk als de beweging die ik zo miste. Het lef eveneens. Alleen naar het bos gaan vond ik niet eenvoudig. Ik staarde naar de oproep. ‘We zoeken wandelgenoten. Elke vrijdag. Start vanaf de AH. Waarnaartoe: iedere keer anders. Het klonk kordaat en net dat miste ik in mijn leven, dus ik scheurde zonder schroom het telefoonnummer van het papiertje af.

In het begin leek het een warme groep. Vriendelijk en rustig. En dat ik dat zo voelde, was heel bijzonder, want ik voel me nooit zo goed in een groep. Ik ben me veel te bewust van mezelf. Of nee, eigenlijk van de ander. Ik erger me aan zoveel. Mocht ik dat voortdurend uiten, dan zou dat niet zo erg zijn. Maar dat doe ik niet. Ik hou me in. Weet je dat je dat aan me kunt zien? De diepe frons tussen mijn ogen; de dunne bovenlip van het almaar woorden inslikken. Ken je dat soort mensen, zonder bovenlip? Die mensen begrijp ik als geen ander, ze moeten hun best doen om te zwijgen en in de loop van de jaren krulde hun lip naar binnen. Ik ben het prototype van een zwijgzaam soort mens.

Els haakte haar arm nog weleens door de mijne. Maar daar is ze gelukkig mee gestopt. Ik maakte me zwaar en log, zodat ze bijna liep te hijgen van het me meesleuren. Je kunt wel een trainingspak dragen, maar dat wil niet zeggen dat je ook conditie hebt. Dat is maar weer duidelijk.

En ze heeft er heel wat. Trainingspakken. In allerlei kleuren en van verschillende merken. Ze parfumeert ze met wasverzachter om andere geuren te verhullen. Dat denk ik. Als ze lang genoeg tegen je aanstaat, ruik je naar een andere wereld waar ik totaal geen onderdeel van wil uitmaken.

Dat wordt met de tijd steeds lastiger, want heel langzaam raak ik verstrikt in niet alleen haar web, maar ook dat van de anderen. Hun wereld vermengt zich met mijn wereld. De whatsappgroep verliet ik al vele malen, maar ik werd steeds weer toegevoegd. ‘Je kunt er niet uit’, schreef Rieneke. Dat klonk zo onheilspellend en beangstigend. Ik heb denk ik een halfuur naar haar woorden gestaard. ‘Waarom kan ik niet meer uit deze groep?’ durfde ik toen te vragen. Een huilende smiley was het antwoord. Vanaf toen heb ik me niet meer verzet.

Ik heb nog steeds zin om te huilen en probeer achter te blijven, maar Els houdt ook haar pas iets in. ‘Gaat het wat? Je ogen zijn rood?’ Ze heeft haar haar weer geblondeerd, ik zie het aan de kleur van haar hoofdhuid: pijnlijk vurig van de waterstofperoxide. Ik wil roepen dat mijn ogen rood zijn door haar. Door de anderen. Maar hoe doe je dat? Jezelf plots veranderen na 64 jaar? Els babbelt en loopt wat voor me uit.

Een man in een scootmobiel haalt ons in en hij steekt zijn hand op. ‘Dames!’ We kirren iets. Ja, ook ik. We zijn aardig, weet je nog? We zijn een aardige wandelgroep.