Uit 't Copy van Clason

Gisteren en vandaag

Wachten …

Op de bus.

Op de dokter.

Op de tandarts.

In een rij voor de kassa.

In een rij voor een attractie.

In een rij.

Op de vier wachtenden voor me.

Op de bezorgdienst die er tussen 8:00 en 12:00 zou zijn.

Op het kind dat nog even….

Tot de brug weer sluit.

Tot de trein voorbij is.

Op de uitslag van het onderzoek.

Op de laatste correcties.

Op het definitieve ontwerp.

Op het verlossende woord.

Op groen licht.

Minuten waarin de tijd kroop. Eindeloos en traag.

En tijdens al dat wachten, in al die seconden, vloog ergens anders de tijd in sneltreinvaart voorbij.

Werd hij gisteren geboren en vandaag 13 jaar oud.

Zomaar.


 

 

 

 

 

 

4 februari 2020 Er was eens

Kleurinvestering

Zwart.

Daar begon het in 1971 mee. Daarna witblond, blond, donkerblond, bruin, rood, bijna zwart, kastanjebruin, chocoladebruin.

En nu ben ik de kleur bijster.

Het is tijd voor een functioneringsgesprek met C., al zes jaar mijn kapper.

C. heeft roze haar. Of blauw. Soms zilver. Maar vandaag is haar haar fuchsiaroze. Ik ben dol op C. Ze tovert mijn grijs weg.

Dat trucje wordt steeds moeizamer vol te houden. Ze staat achter me en kijkt via de spiegel in mijn ogen.

‘Je moet of elke drie weken kleuren. Of je moet blond.’

‘Moet, moet…’ begin ik mopperend.

C.  is onverbiddelijk. ‘Je gaat failliet.’

Klopt.

‘Je haar valt van je hoofd.’

Klopt ook.

‘Je bent 48, bijna 49, en dan zijn veel mensen grijs.’

Ja, ja.

‘En ik weet dat je blond niet leuk vindt, maar eventueel gooien we er nog es wat lowlights door.’

Ik aarzel.

‘Je gaat failliet en het wordt tijd dat je in dingen investeert die het waard zijn om in te investeren.’

C. moet haast wel een kind van mijn boekhouder zijn.

Blonder maakt ze me. Eindveertigblond.

En zo verander ik stap voor stap weer in de peuter die ik ooit was.

Inclusief een nee-fase. Maar goed, dat is een ander kenmerk van deze leeftijd.

3 februari 2020 Er was eens

#nospon

Zodra ik over de drempel ben, begin ik aan haar arm te trekken. Ik wijs naar de schappen op links. De stapels op rechts. Ik jubel: ‘Oh het is hier zo fijn, kijk dat, en dit…’

Ze schudt haar hoofd. ‘Sorry, ik ben niet zo enthousiast als jij’, zegt ze, ‘ik word niet zo, eh…opgewonden van een boekwinkel.’

Ik struikel bijna over haar woorden.

Hoe kan dit? Niet mooi? Niet bedwelmd? Niet in vervoering? Ze wil zich niet in die bladzijden begraven voor een uurtje en daarna gelukzalig met een nieuwe aanwinst vertrekken?

Nee. Het doet haar helemaal niets.

Sorry.

Ik houd zoveel van boekwinkels. Je kunt gerust stellen dat ik een junkie ben die haar gezelschap op slinkse wijze richting boekhandel drijft. ‘Nou ja zeg, staan we ineens voor de boekwinkel!’ kan ik heel overtuigend verrast zeggen.

De waarheid is dat ik in elke stad een ander schatje heb. Dat ik in nieuwe steden google waar te moeten zijn. Op zoek naar een winkel waar mensen werken die aanvoelen dat ik een lettershot nodig heb. Heus, niet elke winkel is euforie waard.

Het Colofon in Arnhem wel, ’t Spui in Vlissingen ook. Of De Drvkkery in Middelburg, Adr. Heinen in Den Bosch, Waanders in Zwolle, De Dominicanen in Maastricht, De boekenbar in Utrecht, H.de Vries in Haarlem, Stumpel in Almere. En alle kinderboekwinkels en de rest die ik nu even vergeet op te noemen.

#nospon, hoor ik daarbij te vermelden.

Ieder zijn meuk, zou iemand zeggen die ik ken.

Goed dan. Mijn meuk is een enorme rij ongelezen letters op een plek waar je live met handen en voeten een boek kunt beschrijven dat dan ook gevonden wordt. Waar je als je verdriet hebt gratis een gedicht krijgt om voor te lezen tijdens het afscheid (’t Spui in Vlissingen). Waar de verkoper net zo uitkijkt naar een nieuwe uitgave als jijzelf (Het Colofon in Arnhem). Waar ze bovendien vulpennen verkopen. Of notitieboekjes. En waar je echt waar, alle boeken die niet in de winkel liggen, kunt bestellen, laten bezorgen of – nog beter want opnieuw de winkel in – kunt ophalen.

No spon, zeg ik nog maar een keer. Maar heus, gun jezelf een boekwinkel om de hoek. Laat die bolle blauwe links liggen.

No fat-shaming.

 

 

 

 

 

30 januari 2020 Er was eens

Don Juan

Ik heb sjans. En niet zo’n beetje ook. Hij beweegt zijn wenkbrauwen op en neer. Knijpt een van zijn ogen dicht. Haalt een hand door zijn lokken en lacht een brede lach.

‘Hé!’ zegt hij, zijn stem een beetje schor. Een kleine verkoudheid, denk ik.

Hij lacht zo ongeremd dat ik wel terug moet lachen. Hij lacht nog breder. Roept luider: ‘Hé!’

Zo blij is hij dat ik toch even achter me kijk. Maar ik sta hier alleen. Deze pijlen schiet hij echt op mij af. Ik ben er niet ongevoelig voor. Zijn donkere krullen, brede lach en kuiltje in zijn kin…

Hij duwt de vrouw die bij hem is wat aan de kant en wil naar me toelopen. Ze houdt hem tegen en kijkt verbaasd van hem naar mij.

‘Ken je haar?’ vraagt ze. Hij negeert haar volkomen en roept nog maar eens ‘Hé!’ naar me. Ik word er verlegen van en begin te vermoeden dat ik hoogstwaarschijnlijk op iemand lijk die hij graag ziet.

Hij probeert los te komen van de vrouw. Ze houdt zijn hand echter stevig vast. ‘Kijk een kat!’ probeert ze hem af te leiden. Dat lukt want hij hurkt en roept nu ‘Hé’ naar het ongeïnteresseerde huisdier.

Hé! is de algemene begroeting voor katten en mevrouwen bij de bushalte.

Als we even later in de bus zitten en hij net met zijn neus bij het raampje kan, draait hij zich naar mij om. Ik zwaai naar de kleine Don Juan. Hij glimlacht lief naar me en gaapt vervolgens uitgebreid.

Op vrijersvoeten zijn is vermoeiend, helemaal onder het toeziend oog van je moeder. Hij legt zijn hoofd te rusten tegen haar bovenarm en mompelt wat.

Hè, hè, vermoed ik.

29 januari 2020 Er was eens

Oproerkraaiers

De ganzen vliegen rondjes boven mijn huis en landen aan de oever van de plassen. Ze maken herrie. Het kan een gesprek zijn. Of een pittige discussie. Hun vleugels houden ze iets naast hun waggelende lijf terwijl ze van links naar rechts over het fietspad zwalken. Van slootje naar grote plas. En andersom.

Als je je ogen een beetje dichtknijpt, lijken ze op vrouwen die hun dikke lagen rokken bijeenhouden. Bijna een fragment uit een schilderij van Pieter Brueghel.

Fietsers, honden, wandelaars en joggers. Iedereen wordt hartgrondig door de ganzen uitgescholden. Ze versperren de weg. Blazen naar iedere voorbijganger.

Die ontwijkt hun snavels. Trapt harder op de trappers. Maakt zichzelf onzichtbaar, net zoals de honden die met hun staart tussen de benen langs de grote toom oproerkraaiers sluipen.

Als ik bijna bij de hangplek ben, is er tumult. Ze vertrekken. Een voor een stijgen ze op. Op weg naar het zuiden? Naar Frankrijk? Spanje? Of nog verder?

Net opgestegen schreeuwt een tegemoetkomende vlucht ganzen uit volle borst: Vergeefse moeite! Keer om! Keer om! Blijf hier! Het is koud in het zuiden!

De V maakt een bocht naar rechts en zet de daling alweer in.

De ganzen die zijn achtergebleven want te laat, te moe.. of weet ik het, lachen hun terugkerende soortgenoten uit.

Dat doet ze niets. Ze pakken hun verendeken weer op en waggelen van links naar rechts.

En weer terug.

Op zoek naar het beste plekje. Met de vliezen in de klei en hun kop alvast in de wolken.

Bijna februari.

 

 

 

 

 

 

 

28 januari 2020 Er was eens

Beeldenvangers

Af en toe is het disco in mijn ogen. Stroboscopische flitsen op één punt, steeds sneller knipperend. De eerste paar keren schrok ik ervan. Wit geflikker, net als een blacklight uit andere jaren. Of nee, ik kan het beter omschrijven als het doorbranden van een film.

Mijn vader die vloekend de projector uitzette, mijn moeder die de lampen aandeed zodat de film nog deels gered kon worden. Het doorgebrande stuk werd eruit geknipt en de goede delen aan elkaar geplakt.

Dat kan helaas niet met mijn ogen.

Soms vergeet ik het, die toekomst. Dan lijkt het ver weg, dan is het er gewoonweg niet. Maar als ik de ganzen zie overvliegen, mezelf weerspiegeld zie in de ogen van hen die ik liefheb, dan word ik soms zo woest.

Woede is echter niet een al te beste angstbestrijder.

Deze zomer keek ik naar de beelden die mijn opa ooit ving. Als de vader van mijn moeder niet in zijn eigen café-restaurant werkte, reisde hij, fotografeerde hij. Dat was voor die tijd uniek. Ik weet zeker dat hij Instagram fantastisch zou vinden.

Van mijn voorouders draag ik zijn drang om beelden te vangen met me mee. Ik heb een onstilbare honger naar visueel vastleggen. Misschien nu nog wel meer dan ooit. Zien dat ook hij de tijd liet stilstaan en misschien daardoor nog beter kon onthouden, geeft wat rust.

Het geflikker is binnen vijf minuten weg. Dat is een geruststelling, iedere keer. Een disco is ook fijn zonder licht.

In het donker kun je nog steeds dansen.

 

27 januari 2020 Er was eens

Vergeten woorden

Taal is cruciaal voor menselijkheid, zegt psychiater Dirk de Wachter. Hij pleit voor het niet verwaarlozen van woorden. Hij moedigt ons aan om kinderen voor te lezen, om te reflecteren, om na te denken en beelden te nuanceren door er tekst aan toe te voegen.

Natuurlijk, hoe objectief kan een taalliefhebber als ik zijn. Toch denk ik dat niet alleen ik behoefte aan woorden heb. Ook als je niet schrijft of graag leest, zijn woorden, gesproken of geschreven, onmisbaar om je mens te voelen.

Of om de ander te kunnen begrijpen.

Het voelt als een receptuur. De vergeten groenten die je moet toevoegen zijn in dit geval 26 letters waaruit je kunt kiezen. Taal in woord en geschrift.

Het afgelopen jaar heb ik ervaren hoe belangrijk taal is in plaats van emoticons. Hoe waardevol een handschrift kan zijn. Een telefoontje. Een persoonlijk gesprek. Een langere whatsapp. Geformuleerde zinnen waarin je, als je goed kijkt of luistert, de aarzeling en emotie op zal merken. En natuurlijk passen er beelden bij die woorden, net als een gezichtsuitdrukking je nog meer vertelt wanneer je met een ander praat.

Ja, taal is de manier om verdriet te delen. Of verbondenheid. Of blijdschap. Want dat is eveneens een alinea waard of een gesprek en niet alleen maar een reeks symbolen met hartjes en toeters en bellen.

Nogmaals, hoe objectief kan een taalliefhebber als ik zijn.

Maar toch.

Laten we de woorden niet vergeten, zei een psychiater.

23 januari 2020 Er was eens

Fictie, denk ik (5)

Hoe gaat het met je. Met jou. Met ons. Met het leven. Jeweetwel.

Hij kijkt naar haar. Het zijn geen vragen die een antwoord behoeven. Ze let trouwens toch niet op. Ze scrolt met haar vinger in de wereld die ondanks het dunne laagje glas dichterbij is dan zijn huid.

Hij stelt de vragen opnieuw. Ook dit keer in zijn hoofd. Onhoorbaar. Hij kijkt naar zijn handen. Ze zijn droog, nagels netjes geknipt. Ze lacht zacht.

‘Wat is er zo grappig?’ vraagt hij. De lach glijdt van haar gezicht, langs haar sleutelbeen, over haar borst, naar haar schoot. Precies naar de plek waar de lach hoort, in de telefoon.

Even hebben ze oogcontact. Ze haalt haar schouders op.

Hij kijkt weer naar zijn handen en voelt het trillen van zijn telefoon in zijn zak. Op hetzelfde moment dendert de trein over de brug. Een hels kabaal. Het kanaal is breed, hij denkt aan aardrijkskundelessen in de vorige eeuw.

Kanalen zijn mensenwerk.

Zijn broekzak blijft trillen. Berichtjes stromen binnen en onder zich stroomt het Amsterdam-Rijnkanaal.

Wat als hij het raam kon openen? Zou hij de telefoon dan weggooien? Of die van haar. Hij moet om zichzelf lachen. Die van haar. Zeker weten.

‘Wat is er zo grappig?’ Ze kijkt naar zijn telefoonloze handen en dan naar zijn gezicht.

Hij haalt zijn schouders op, maar blijft lachen. De lach is voor haar.

Voor haar alleen.

22 januari 2020 Er was eens

In het hart van…

In dit boekje, iets groter dan een telefoon, open ik mijn hart. Het is het DNA van mijn bedrijf, mijn identiteit en bedoeld voor intern gebruik.

Mocht ik medewerkers hebben, dan kregen ze elk een exemplaar. Een intern naslagwerk ter inspiratie. Of motivatie. Maar vooral – en dat is de belangrijkste reden – om zich al lezende steeds meer verbonden te voelen met het bedrijf waar zij werken. In het boekje staan dan ook verhalen die alleen bij clason tekst en redactie horen. Over de geschiedenis. Over de mensen. Over de taal die gebruikt wordt. Hoe vieren we successen? Hoe gaan we om met tegenslag?

In het hart van.. is een community builder. De woorden verbinden. De lezer voelt zich ertoe doen en erbij horen.

Ik denk dat deze gevoelens de basis zijn voor een duurzame verbinding met een bedrijf. Het zorgt voor werkplezier. Voor loyaliteit. Voor een saamhorigheidsgevoel.

Je hoort erbij.

Je doet ertoe.

Je maakt deel uit van een community.

Een eenmanszaak heeft echter geen medewerkers. Deze uitgave laat vooral zien wat er mogelijk is voor bijvoorbeeld jouw bedrijf of organisatie. Het is geen brochure. Geen reclame Het is het hart van de organisatie, getoond door de mensen die er werken.

Ben jij op zoek naar een tastbare manier van interne communicatie? Naar een toevoeging voor je introductieprogramma? Wil je nieuwe en al langer in dienst zijnde medewerkers nog meer verbinden aan je organisatie? En wil je het eigen verhaal laten vertellen door je medewerkers?

Laat mij dan het hart van je bedrijf in woorden vangen.

Ik ga heel graag voor je aan het werk.

P.S. Mocht je denken: Marianne, kom op nou print? In 2020?

Dan antwoord ik: Juist print!

Print is nog lang niet dood. Het Britse marketing- en communicatiebureau Wardour heeft in recent onderzoek zelfs aangetoond dat print steeds populairder wordt en dat geldt vooral onder jongeren tot een jaar of 35.

Verrassend? Niet echt.

Print klik je immers niet weg, maar bewaar je.

Print is fysiek, nostalgisch en persoonlijk.

Lees je iets op papier dan blijft de informatie je veel beter bij.

En tot slot: print ondersteunt digitaal. En andersom.

Wil je een pdf ontvangen om te kijken of In het hart.. iets voor jou is? Mail of stuur een app, gegevens vind je hier.

Concept, tekst en foto’s: Marianne Clason

Art-direction en opmaak: Dieuwertje ontwerpt, Almere

21 januari 2020 Promotie

Niet alleen aan de buitenkant

De foto is 25 jaar oud. Een kwart eeuw. We zitten op de hogeschool. Praten. Wachten op college? Ik weet het niet meer. Ik herken drie gezichten van de vier.

Ze appt me: ‘Ik dacht dat we nooit ouder werden, maar daar denk ik na deze foto toch anders over.’ Ze stuurt er een hysterische smiley bij. Ook als eind veertiger blijf je plakplaatjes gebruiken.

25 jaar gingen voorbij. Ja, we werden ouder, grijzer, meer getekend.

Niet alleen aan de buitenkant van ons zijn.

Een paar weken terug zocht ik foto’s voor een verjaring, de maanden ervoor voor een afscheid. Ik ontdekte tijdens de zoektocht dat ik een hoop gezichten nooit meer kan fotograferen.

Omdat ze er niet meer zijn.

Steeds meer foto’s zijn herinneringen zonder vervolg.

Voordat ik dit beeld weer opruim, zie ik nog dat we 25 jaar geleden de pakjes sigaretten paraat hielden zoals dat nu een telefoon is geworden. Ongezonder, maar wel socialer.

Ik mis het praten en hangen op stoelen. Het op de bonnefooi naar elkaar toe fietsen. Het niet alles weten omdat social media nog niet bestonden.

Welja, nu klink ik zelfs oud.

Renate Dorrestein schreef ooit: ‘Het ingewikkelde is dat je zelf maar ten dele ervaart dat je ouder wordt. Een deel van mij is nog altijd 12 en zit te wachten op het rinkelen van de bel van de ijscoman, of op de komst van de dorpsfanfare op een zomeravond. Dat zou niemand denken die mij in mijn huidige vorm ziet. Die denkt onomwonden: middelbare muts.’

Over 25 jaar word ik volgende maand 74. Ik wens dat ik dan nog verrast ontdek dat ik ouder werd.

En ook dan app ik hen: Zie ons hier nu eens, 50 jaar terug!

Ik hoop dat ze allebei antwoorden.

 

 

7 januari 2020 Er was eens