Uit 't Copy van Clason

Broodkorst

Ze draait rondjes en rondjes. En gooit. Een discuswerper zou trots zijn. In dit geval is het haar opa. Hij knikt goedkeurend en geeft haar een nieuw stuk brood aan.

De jas, veel te groot, veel te roze, raakt bijna de grond. Ze schudt even haar hoofd, legt dan de korst op de straattegels. Eerst moet de capuchon op. Ze roept naar een brutale vogel die dichterbij durft te komen.

Daar gaat ze weer. Een korte aanloop. Hinkelpas. Een pirouette. En de broodkorst schampt het hoofd van een meeuw. Ze klapt in haar handen en loopt een ererondje met de buggy als stralend middelpunt. Haar opa volgt haar op de voet. Het laatste stuk brood in zijn ene hand. Een lege, plastic zak in zijn andere.

De meeuwen, duiven en spreeuwen, ze cirkelen nu laag over de grond. Deze broodvoerster heeft een bijzondere manier van uitdelen, weten ze nu. Meedraaien heeft een grotere kans dan stilletjes op de grond hupsen. Het meisje holt kirrend op de vogels af die als een verenexplosie uit elkaar vliegen.

Ze blijft staan en kijkt ze na. Haar opa duwt de buggy al richting huis maar geeft haar eerst het laatste stuk brood. Hij moedigt haar aan te gooien.

Ze lacht naar hem. Een stap neemt ze en de vogels durven weer lager te vliegen. Ze huppelt, versnelt haar pas, draait rondjes, haar beide armen zwaaien mee. Nog heel even en ze zal het brood loslaten. En net als ook de vogels het lijken aan te voelen dat dat bijna gebeuren gaat, stopt ze.

Ze bekijkt de korst in haar hand. Roept wat naar haar opa verderop. Babbelt tegen de vogels. En steekt het stuk uiteindelijk in haar eigen mond.

De vogels dralen nog wat terwijl het meisje etend de andere kant op huppelt.

Einde voedertijd. Hopelijk is ze er morgen weer.

 

 

 

 

21 februari 2017 Er was eens

De scène

Ze schieten elkaar kapot. Rollen over de grond weg. Bebloed. Geschaafd. Gewond. Maar dat deert ze niet. Ze praten zelfs tijdens het hele gebeuren. Oneliners vliegen gelijk op met de kogels.

Een nieuwe scène wordt ruw onderbroken door een hand die het zicht belemmert. De jongen kijkt verdwaasd op naar de eigenaar van de hand die boven zijn iPad zweeft.

‘Vervoersbewijs alstublieft.’ De conducteur klinkt streng. Hij houdt zijn hand zonder ook maar iets te bewegen nog steeds boven het eveneens stilstaande beeld op het scherm. De jongen doorzoekt zijn zakken. Zijn hoofd is duidelijk nog bij de film die hij net keek. De conducteur zucht. De mensen in het zitje tegenover de jongen kijken stuurs.

Daar is zijn kaart, met een oog op zijn scherm en zijn vinger klaar om de film weer aan te zetten, geeft hij zijn vervoersbewijs aan de conducteur. Die neemt de tijd.

‘Goede film?’

‘Ja.’

‘Kun je hem tijdens de reis afkijken?’

‘Ja. Als ik nu weer verder kan kijken, dan wel.’

Hij zegt het zachtjes. Hoopvol. De conducteur recht zijn rug. Heel langzaam geeft hij eerst mijn kaart terug. Dan die van de mensen tegenover me. De uitgestoken hand van de jongen trilt lichtjes. Met een zucht moet de conducteur dan ook hem zijn kaart teruggeven. ‘Veel plezier’, mompelt hij. Hij geeft zich met flinke tegenzin gewonnen.

De jongen knikt, stopt de oortjes terug in zijn oren en drukt op play. Het scherm wordt zwart en een cirkeltje draait. En draait.

Hij blijft naar het beeld staren. Net als ik.

To be continued heeft af en toe wat tijd nodig.

 

 

20 februari 2017 Er was eens

Niet wederzijds

Soms is schrijven niet de liefde van mijn leven. Dan vind ik het ronduit een etter. Een lastpak. Een gemeen wezen. Dat lege, witte scherm voor mijn ogen. De knipperende cursor. De letters die smekend aan mijn vingers liggen: ‘Vorm van ons een zin!’ ‘Kom op nou, vervrouw jezelf, maak er es iets van!’ ‘Verspil je nu weer tijd?’ Dan tik ik een paar woorden.

Soms met mijn ogen dicht.

Deze creaties zijn zinnen die misschien wel poëtisch zijn in de juiste ogen. In de kritische ogen echter voer voor de geestelijke gezondheidszorg. Want hoewel schrijven liefde is, is de liefde niet altijd wederzijds. En speelt het een machtig spelletje van aantrekken en afstoten.

Vandaag lukt het ons niet lief te hebben. Het schrijven gaapt en zeurt over thrillers en liefdesverhalen en over niet te vergeten deadlines voor brochureteksten. Buiten schijnt de zon en strooit samen met de commerciële liefde roet in de intentie met hartjes en oneliners.

Ik klap de laptop dicht. Eerst maar es lunchen. Dat is ook liefde immers.

 

 

14 februari 2017 Er was eens

Eerste dag

Ik draag een t-shirt met mijn naam erop. De letters zijn zacht. Als ik met mijn vinger over een letter aai, moet ik dat neerwaarts doen om de kleur mooi te houden. Opwaarts is het blauw minder blauw.

Ik aai nu steeds over de eerste letter. Wel onzichtbaar, want iedereen lijkt naar me te kijken. De plek waar ik nu zit, is niet waar ik hoor te zitten. Daar rechts bij het raam is mijn echte plaats. Zie je die twee jongens en dat ene meisje? En die lege stoel? Daar dus.

Maar nu zit ik onder het schoolbord.

En dat is niet helemaal de bedoeling. Vooral niet op zo’n belangrijke dag als vandaag. Een eerste dag is het. De eerste dag van de eerste klas. Vandaag leer ik lezen en schrijven. Eindelijk.

Het valt me wat tegen. Ik heb nog geen letter geleerd. Wel leerde ik dat praten in deze klas niet de bedoeling is. Ook weet ik zeker dat de juf blij was met mijn shirt. Stel je maar es voor. Vier pratende kinderen die je nog nooit eerder zag. Dan is het maar mooi handig dat er eentje haar naam op haar buik draagt. Toch?

Ze riep het door de klas. ‘Marianne! Kom jij maar even onder het bord zitten. Babbelen doen we op het schoolplein.’ Ze had ook Joost! kunnen roepen. Of Cornelis! Zij kletsten net zoveel. Maar die namen kende ze natuurlijk niet. Nog niet.

De juf glimlacht naar me, strijkt over mijn haren en duwt me zachtjes terug naar mijn stoel. ‘Even opletten’, zegt ze. Ik fluister dat ik dat zal doen.

De juf tekent nu een boom. En schrijft de letters ernaast. Ik doe mijn best heel stil te zijn en strijk met mijn duim over de letters op mijn t-shirt.

Morgen is het alweer de tweede dag in deze klas. Ik hoop van harte dat ik dan leer lezen.

En dat de juf dan wél de andere namen kent. Dat ook.

 

 

9 februari 2017 Er was eens

Hartelijke nachtmerrie

In alle herrie om me heen neemt de muziek mijn hart vast, rukt het uit mijn lijf en smijt het verderop.

Ik ben nu hart-loos.

Harteloos.

Zonder hart.

Dat dit niet klopt is meteen duidelijk. Ik moet deze noodzakelijke spier zoeken tussen de dansende voeten. Tussen de mensen die van hot naar her lopen.

‘Waar is mijn hart?’ roep ik. Mensen lachen en wijzen. Maar allemaal naar een andere kant.

Ik leef. Dus dat kan ook zonder hart. Wie had dat gedacht. Wie wist dat het bloed ook zonder rondpompt in mijn lijf?

Mijn adem gaat wel wat moeizaam. Dus blijf ik zoeken. Tot ik haar vind. Het hart dat zich zomaar liet stelen door wat mooie muzieknoten.

Daar hangt ze. Aan de wilgen. Of ligt ze daar? Als handdoek in de ring gesmeten? Beelden razen, draaien, kolken.

Ik smelt. Ik zweer het je. Ik smelt.

Tot ik naast haar lig en we weer samenkomen.

Dag hart. Dat moet je maar niet meer doen.

 

 

6 februari 2017 Er was eens

Stoffig

Hij klopt op zijn zij. Op zijn bovenbenen, hamstrings en kont. Nu is het bovenlijf aan de beurt. Borst, armen en schouders. Deze kloppartij herhaalt hij twee keer.

Dan draait hij zijn rug naar de man naast hem. Strenge ogen dwalen over het achterlijf van de uitgeklopte twintiger. De ogen kijken niet tevreden. De jongen keert zich weer om en houdt zijn handen in de lucht. ‘Wat?’ liplees ik. ‘Nog niet?’ De keurende man schudt moedeloos zijn hoofd.

Opnieuw beklopt en beslaat de jongen zijn eigen lijf. Het witte stof vliegt van zijn blauwe overall. Maar het kledingstuk laat het fijne stof niet geheel los.

De andere man leunt intussen tegen het bestelbusje. Hij kijkt op zijn horloge, op zijn telefoon en mompelt iets. De jongen springt met beide voeten als een kikker op en neer. Dan draait hij opnieuw een rondje en wacht zichtbaar gelaten op het oordeel.

De man sommeert hem nog een keer een pirouette te maken. Ook hij klopt even op de overall van de jongen. Het moet maar, lijkt hij te denken.

De jongen opent de deur van het bestelbusje, vouwt een plastic tasje uit, legt het op de passagiersstoel en gaat nukkig zitten. De ander trekt de deur dicht en loopt om naar zijn kant. Net voor hij instapt, slaat hij lichtjes op zijn schone schouders.

Hij start snel. Verloren tijd moet worden ingehaald. De bus keert soepel en rijdt weg.

‘U kunt op ons bouwen’, lees ik op de zijkant. Dat is pas stof om over na te denken.

 

3 februari 2017 Er was eens

Kleurloos

‘Dus er is geen nummer 190 meer?’

‘Nee. Sorry.’

Kun je misschien achter voor me kijken? Of je er nog eentje hebt liggen misschien?’

Het meisje schudt verveeld haar hoofd.

‘Nee, sorry.’

De vrouw kijkt verslagen en grabbelt in haar tas.

‘Kijk, dit is de kleur.’

‘Ja. Ik zie het.’ Het meisje heeft er steeds minder zin in. Ze leunt nu op de balie naast de lipsticks. Als ze thuis was, had ze haar hoofd misschien wel op haar armen gelegd.

‘Ik vind het heel erg dat de kleur uit de collectie is’, zegt de vrouw zacht. Het meisje kijkt iets achter haar. Of door haar heen. Dat kan ook.

‘Kun je me misschien helpen met het vinden van een vergelijkbare kleur?’ De vrouw stelt de vraag zonder een sprankje hoop.

‘Ik ken effe kijken bij Sjenel? Maar dat is wel een stukkie duurder natuurlijk.’ Het meisje staat nu weer recht en lijkt wat commissie te ruiken.

De vrouw kijkt even om zich heen. ‘Maar je hebt toch ook wel goedkopere merken?’

Er zijn allerlei merken in deze winkel. Maar het meisje schudt haar hoofd en wuift die gedachte meteen weg. ‘Die kleur? Nee. Dat zal niet lukken.’

De vrouw twijfelt. Dan recht ze haar rug. ‘Ik ga wel naar een andere winkel.’ Het kan het meisje weinig schelen. ‘Goed hoor, fijne dag’, mompelt ze en ze sloft naar de badproducten.

Met grote passen loopt de vrouw de winkel uit. Ze kijkt niet een keer om. Op naar de concurrent. Kleurloos kan altijd nog.

 

 

 

30 januari 2017 Er was eens

Blij

Het onzichtbare hoor je aan zijn stem. Een kinderstem in het lijf van een volwassen mens. Hij is blij. Verkneukelt zich om wat hij buiten ziet. Hij juicht zachtjes en kan bijna niet stilzitten van opwinding. Maar de jongen in hem vermant zich. Een beetje. Wij zitten schuin tegenover hem. Als de jongste nieuwsgierig opstaat om hem beter te zien, is dat het startsein.

‘Kijk nou. Kijk nou! Zie nou wat een hoop bussen!’

De jongste gaat snel weer zitten.

‘Ik zie ze ook,’ zeg ik.

‘Echt heel veel. Heel veel!’

‘Ja, heel veel. Dat vind je mooi volgens mij.’

Hij barst bijna uit elkaar van enthousiasme omdat ik lijk te begrijpen dat hij die bussen fantastisch vindt.

‘In Doetinchem zijn ze van een andere kleur. Wel goed hoor. Een andere kleur.’

Hij droomt weg. In zichzelf mompelend en in zijn handen wrijvend. De jongste tikt me op mijn knie. Zijn blik is een groot vraagteken. ‘Die meneer wordt heel blij van bussen’, zeg ik ietwat overbodig. Het kind haalt dan ook aarzelend zijn schouders op.

De trein vertrekt. De man zwaait naar de bussen. Dan zingt hij een liedje. Soms timide neuriënd dan weer luid. Dat doet hij tot we bij het volgende station zijn.

Als we uitstappen verwacht ik allerlei vragen. Maar die komen niet. ‘Bijzonder hè’, zeg ik. ‘Die meneer ziet nog mooie dingen. Dat kunnen heel veel mensen steeds minder als ze ouder zijn.’ ‘Hij leek wel een jongetje en jij een meisje’, zegt de jongste. Het klinkt niet als een verwijt, maar als een observatie.

De oudste roloogt en zucht: ‘Wel jammer dat jullie in al die mooiheid dan niet zien dat het een stiltecoupé is.’ Ik kijk verrast om naar de trein. Ja, ik zie het nu.

En ik zie de man. Hij zwaait uitbundig naar ons. We zwaaien terug.

Dan rijdt de trein de stad uit. Onder muzikale begeleiding van de man, hoop ik. Want blij zijn kan niet altijd in stilte.

 

 

 

 

 

25 januari 2017 Er was eens

Raar

Deze weg zou ik blindelings kunnen rijden. Ik doe heel even mijn ogen dicht.

‘Heeee!’ Mijn reisgezelschap vloekt. ‘Je rijdt bijna de berm in.’ Ik lach.

Hij niet, hij praat. Ik probeer te luisteren. Het zou kunnen gaan over examens. Over eten. Over reizen. Over de toekomst. Over… ik weet het niet. Het is geen onverschilligheid dat het luisteren niet lukt. Het zijn de uren hiervoor. Misschien is het de alcohol. Ik lach hardop. Hij merkt het niet, zijn gedachten namen hem over.

Dat is goed. We rijden zwijgend verder. Onder mijn snelbinders vervoer ik mijn schoenen. Mijn kousenvoeten draaien rondjes op de pedalen. Ze draaiden net overuren. Die voeten. Dansen, staan aan de bar, opnieuw dansen, hangen… ze zijn moe.

Zijn stem verbreekt het zwijgen. Hij heeft het over zijn verleden terwijl ik nu net weer zo in het heden ben. Want kijk de kleuren van deze lucht. De zon ontwaakt heel in de verte en geeft een gouden randje aan het donker. De lente tekent alvast haar naderen.

Een claxon. Luid en woest. We fietsten bijna onder een bus. Verdwaasd kijken we naar zijn achterlichten, steeds verder van ons vandaan.

‘Dat is raar hè…een bus. Op dit tijdstip?’

‘Ja. Heel raar. Midden in de nacht.’

‘En zag je al die passagiers? Waar gaan die naartoe?’

We zijn in mijn straat. Al fietsend roepen we dag en tot morgen naar elkaar.

Als ik de sleutels op mijn bureau leg, zie ik de tijd. Half zeven in de ochtend.

De dag had ons ongemerkt al lang en breed ingehaald.

Net als de bus.

Ik kruip gekleed onder het dekbed en zie de zon opkomen. Of misschien niet. Dat ben ik vergeten.

24 januari 2017 Er was eens

De stad

‘Fijne dag!’ Ik schrik door het onverwachte. In deze stad nemen passagiers afscheid van de buschauffeur. Hij steekt zijn hand even op. ‘Aju!’ De vrouw stapt uit en we rijden verder.

Kijkend uit het raam komen herinneringen op bezoek. De lange weg naar huis. Altijd naar boven. Hijgend fietsend, tot bovenaan de heuvel, dan een stuk naar beneden en weer staand op je pedalen de volgende helling beklimmen.

Deze stad kent dalen en pieken.

Het blijft er hier bijna hetzelfde uitzien, maar is stiekem al lang een andere plek geworden. Huizen kregen nieuwe bewoners. Bomen werden gekapt. Kroegen verdwenen. Toch zie ik nog steeds mezelf hier lopen en fietsen. Huilen, lachen en natuurlijk dansen. Ik kan de wanhoop oproepen van de mindere jaren. En de euforie voelen van momenten die ik nooit meer zal vergeten.

Ik wandelde zo-even door de straten in de binnenstad. Hoorde het accent dat nooit eigen werd en verwonderde me over de geuren die niet veranderden. Het voelde alsof ik ieder moment mijn oude ik tegen het lijf zou kunnen lopen.

Het bleef gelukkig bij oude gevoelens.

De bus stopt. Ik wens de man een mooie werkdag en steek de drukke straat over naar het bos. Hier is alles zoals toen. En voel ik me wonderbaarlijk hetzelfde.

De boerderij daar links in de verte is een blijvend schilderij dat me altijd verwelkomt. Gevolgd door het bushokje. De stille laantjes waar je bijna nooit iemand tegenkomt.

Dan het huis van mijn ouders.

Ik hoop dat ik er nog heel lang kan thuiskomen.

 

IMG_8871

16 januari 2017 Er was eens