Uit 't Copy van Clason

Altijd en altijd

Als de bus optrekt haalt hij diep adem. Hij heeft me iets te vertellen, dat weet ik voor de woorden er zijn.

‘Mam. Ik moet met je praten.’

Ik knik naar hem, denk ondertussen of ik wel weet welke halte we straks moeten uitstappen.

‘Mama? Luister je?’

Onze rollen lijken verwisseld. Ik het kind. Hij de volwassene. Dat verwart me iets, dus ik knik naar hem. Aanmoedigend, moederlijk, hoop ik.

‘Mam. Ik weet dat je me het liefste voor altijd en altijd bij je zou willen hebben. Maar…dat kan niet. Je moet me ook mijn leven laten leiden. Me wat meer vrijheid geven.’

Ik slik. Dit gaat over alleen logeren bijna drie provincies verderop. Hij kijkt me nadenkend aan.

‘Had jij dat nooit bij je eigen ouders? Dat je wist dat je iets moest en kon doen, maar dat zij dachten: mooi niet, je bent nog te jong?’

Ja, maar dat ga ik niet aan zijn tienjarige neus hangen. Dus ik wacht nog even met antwoorden, haal wat laf mijn schouders op.

‘Mam?’ Hij begint nu bijna te huilen. Ik vertrouw mijn stem ook niet helemaal daarom trek ik hem naar me toe.

‘Ja. Ik luister naar je’, zeg ik in zijn haar. Hij ruikt heel in de verte naar de baby die hij ooit was. ‘Ik luister. En ik denk nu na.’

De bus rijdt verder. Hij blijft tegen me aan zitten, ik voel hem wat ontspannen. ‘Echt? Denk je erover na?’ ‘Ja’, zeg ik. ‘Dat doe ik.’

Altijd en altijd bij me hebben, denk ik. Kan het maar.

 


15 juli 2017 Er was eens

Verse pepers

Hij geeft hem een pakje, langwerpig, verpakt in aluminiumfolie. De man brengt het naar zijn neus, ruikt eraan, knikt goedkeurend en stopt het in zijn tas. Ze kijken voor zich uit.

‘Hij werd doodgeschoten’, zegt de man die het pakje gaf. ‘Omdat hij niet op tijd betaalde.’

Ze zwijgen.

‘Dat moet je wel doen, op tijd betalen’, bromt de ander. Hij haalt het pakje weer uit zijn tas en snuffelt eraan. Zijn gesprekspartner neemt de bril van zijn neus en wrijft met een hand over zijn gehele gezicht. ‘Ja, je moet op tijd betalen.’

De man naast hem maakt een heel klein stukje van het pakje open. ‘Jane maakte het? Hij duwt nu zijn neus in de opening. ‘Verse pepers?’ Zijn buurman antwoordt niet, hij denkt nog aan degene die werd doodgeschoten, lijkt het. ‘Het is nu twintig jaar geleden, maar dat vergeet je nooit meer.’

‘Mmmmm’, mompelt de ander als antwoord. Het is niet duidelijk of het uit medeleven is of dat hij het nog over de blijkbaar eetbare inhoud van het pakje heeft.

Een arts loopt langs, ze begroet de beide mannen.

Heel snel stopt de man het pakje terug in de tas. ‘Bakkeljauw mag ik niet van haar’, fluistert hij. De zestigers lijken nu meer op tienjarige jongetjes die kattenkwaad uithalen.

Ze kijken samen naar de rug van de dokter. ‘Twintig jaar geleden’, mompelt de een. De ander kijkt weemoedig en zegt: ‘Voor een hartendokter is ze levensgevaarlijk mooi.’

‘Bijna net zo gevaarlijk voor je hart als je broodje bakkeljauw’, beaamt de ander.

 

 

 

6 juli 2017 Er was eens

Krukje

Ze zitten op hun hurken in de hoek van het plein. Het lijkt erop dat de juf ze niet ziet. Ze kijken steeds over hun schouder. Nee, ze ziet niets, maakt een praatje met wat meisjes.

De jongen met de korte broek duwt een paars voorwerp tegen het hek aan. De ander staat nu recht met zijn handen in zijn zij. Hij draagt een tenue. Geen idee van welke club.

Weer checken ze de leerkracht. De korte broek knikt nu naar de voetballer. Die aarzelt heel even, maar klimt op dat wat in de hoek verstopt staat. Hij steekt nu met kop en schouders boven de ander uit.

Hun blik schiet naar de andere kant van het plein. De kust is veilig. Vliegensvlug springt de jongen over het hek. Daar staat hij, aan de andere kant. Tussen de planten in het plantsoen. De kleuters lachen naar elkaar, ieder aan hun eigen kant van het hek.

Maar dit avontuur heeft haast. De korte broek tilt daarom de verhoging eveneens over het hek. De jongen in het tenue pakt het krukje aan en klimt terug het schoolplein op.

Ze lachen hard. De uit- en inbraak wordt gevierd met een vriendelijke stomp op de schouder.

De juf klapt in haar handen en de kinderen hollen naar haar toe. De jongens ook.

Achter het hek staat het krukje, ietwat verscholen in het groen. Rustig wachtend op het volgende avontuur. Want die komt gelukkig altijd.

 

21 juni 2017 Er was eens

De schoenen

Ze draagt wandelschoenen. Degelijke, die je in een winkel met tenten, tekentangen en EHBO-dozen vindt. De riem om haar middel is haast groter dan de korte broek die ze draagt. Ze zit wijdbeens. Haar ellebogen rusten op haar knieën en ze kijkt ingespannen op het scherm van haar telefoon.

Naast haar linkervoet rust een gouden schoen.

Een elegante, een die je in een winkel met kantjes, bloemen en jurkjes vindt. Het exemplaar hoort bij de vrouw die naast de wandelvrouw zit. Haar lange rok – of is het een avondjurk?- raakt bijna de gouden banden van de schoenen. In haar schoot ligt een telefoon. Ze tuurt eveneens naar het scherm.

Ze horen bij elkaar. Praten zachtjes. Naast hen staat hun bagage: een rolkoffer en een rugzak. Ik glimlach bijna verheugd want alles past bij het plaatje. Net als hun laatste handelingen voor de trein komt: de vrouw met de gouden schoenen werkt haar make-up nog even bij, de ander trekt de riem strakker aan.

Dan springen ze op. De wandelvrouw trekt de rolkoffer achter zich aan en wenkt haar vriendin. De golden lady hijst de rugzak op haar rug en volgt haar gestaag.

Alles paste bij mijn ingekleurde plaatje realiseer ik me met lichte schaamte.

Stom.

Want de werkelijkheid is duizenden malen mooier.

8 juni 2017 Er was eens

Laf hoedje

‘Mag ik een deksel van u? Ik wil de koffie meenemen.’

Ze kijk me zichtbaar geërgerd aan maar draait zich toch om naar de deksels.

‘Welleke dan, wah?’

Ik geef geen antwoord. Heb geen idee welleke.

Ze meet ze een voor een, dat doet ze met driftige gebaren.

‘Deze past’, zegt ze, ‘ah nee…net niet.’

Het deksel sluit de beker aan een kant. De andere zijde kiert, stoom kringelt omhoog.

‘Nou, je hou je beker maar goe vast, wah. Trouwes, koffie daar moet je niet mee wandelen, wah. Koffie drink je zittend, en heet, je houdt het niet lafjes warm onder een hoedje.’

Ik kijk naar het deksel dat volgens haar mijn gebrek aan moed toont.

Ze mompelt iets onverstaanbaars maar dat is zeker voor mij bedoeld.

Het sluit niet en nog belangrijker: ze heeft gelijk. Ik haal het deksel eraf en leg het op de toonbank. Ze knikt goedkeurend. ‘Weg met coffee to go, wah!’ roept ze nog als ik de winkel verlaat.

Ik beaam het niet want de koffie moet door tijdgebrek toch echt wel met me mee. Alleen niet onder een laf hoedje dan.

Gelukkig regent het want zelfs coffee to drink mag soms wat afkoelen. En daar zijn dit keer heel wat druppels voor nodig.

5 juni 2017 Er was eens

De tijdreizigster

‘Ik was hier in 1945 voor het laatst.’ Het meisje kijkt vriendelijk naar de oude dame en dan heel even achter de vrouw. Ze schat in dat de eerstvolgende –  dat ben ik – een praatje kan handelen.

‘1945? En nu pas weer terug?’ vraagt ze daarom.

De dame, ze komt tot mijn schouder, knikt. ‘Ja. Nu pas. Eerder kon het niet. Wilde ik niet.’

Ze zwijgt.

‘Is er veel veranderd?’ vraagt het meisje. De vrouw glimlacht wat verbaasd. ‘Ja er is in al die jaren veel gebeurd…ik woonde op de Oudegracht. Hier, een paar huizen verderop.’

Ze zwijgt opnieuw.

De rij achter me wordt langer. Er wordt gekucht. Geschuifeld. Het meisje is zich daarvan bewust en duwt de vrouw de tas met het gekochte boek in de handen. ‘Nou, dan heeft u heel wat herinneringen op te halen!’ De vrouw is echter niet daar in de boekwinkel maar op een tijdreis in haar hoofd.

Het meisje draait op haar stoel, kucht nu ook. ‘Mevrouw? … Mevrouw? Er zijn mensen die ook willen betalen? Mevrouw?‘ De vrouw knippert even met haar ogen. ‘Oh, kind.. ik houd je op.’

Het meisje knikt. ‘Daar in het begin van de winkel staan ook boeken over de oorlog in Utrecht! Misschien vindt u nog wat moois.’  De ogen van de tijdreizigster worden groot. ‘Nee dank je’, glimlacht ze. ‘Daar was ik bij.’

Ze pakt de tas, een zachte groet en ze draait zich vastberaden om.

Ze heeft niets meer nodig. Een boek in haar tas en een in haar hoofd.

Dat is meer dan genoeg.

 

 

 

24 mei 2017 Er was eens

In een oogwenk

Slecht nieuws. Ik zie het aan hun gezichten voor ik de woorden hoor. Bezorgdheid hand in hand met medelijden.

Ik wil zeggen dat ik hun blikken niet fijn vind. Dat ik zo niet bekeken wil worden. Niet wil dat het over mij gaat.

Maar ik kan beter opletten.

Want ik weet niets over dit onderwerp. Begrijp het niet. Mijn innerlijke journalist zou nu haar werk moeten doen, maar zij laat het compleet afweten.

De co-assistente is opgelucht dat de arts het woord voert. ‘Je bent veel te jong. Dat is een feit. Het betekent dat je in de toekomst niet meer kunt lezen of schrijven. Gezichten en kleuren niet meer zult herkennen.’

Nu voel ik me een meisje van zes. Je ziet het niet aan me, maar ik draai me om met mijn vingers in mijn oren. Ik zou ook nog ‘lalalalalala’ kunnen zingen. Wie weet werkt dat ook als je halverwege de veertig bent.

Het werkt. Langzaam verplaats ik me van de plek waar ik fysiek achterblijf. Ik zit nu tegen de boom in mijn geboortestad. De woorden in de ruimte waar mijn lijf nog is, vervormen zich als het gefluit van de vogels die daar altijd zingen.

Altijd.

Toch?

‘Onbehandelbaar. Tijd zal het leren. Vijftien of tien jaar, met pech vijf jaar. We weten het niet. Maar dood ga je er niet aan. En.. het licht zal niet geheel doven.’

Kun je sterven zonder dood te gaan? De vogels fluiten.

Zomaar is alles veranderd. In een oogwenk. Ik kijk naar de takken, de bladeren. Denk aan de kinderen. Aan de anderen die ik liefheb. Ik maak foto’s in mijn hoofd. Om de beelden daar altijd te kunnen bekijken.

Altijd.

Toch?

 

 

 

22 mei 2017 Er was eens

Geheim

Ze staat stil en rommelt wat. Ik kan niet zien wat ze doet. Dan draait ze zich om en gooit iets achter zich.

Propjes papier.

De wind pakt ze meteen op en speelt ermee. Het meisje ziet me en loopt snel verder. Ze kijkt steeds achterom. De propjes volgen haar op de voet, cirkelen in de luchtstroom.

Steeds sneller en sneller loopt ze, maar het weggegooide papier haalt haar bijna in.

Is het een slecht cijfer dat verfrommeld werd voor het thuis gezien kon worden? Is het een afwijzing van die jongen waar ze al zo’n tijd aan denken moest? Is het een briefje van de meester, haar ouders vragend naar school te komen?

Ze kijkt steeds achterom naar mij en naar dat wat ze niet meer bij zich wil dragen. De propjes liggen nu stil. Nog een paar passen en ik kan mijn voet erop zetten zodat ze niet verder vliegen.

Het meisje kijkt nog een keer achter zich en dan – alsof ik haar straffen zal – holt ze met grote passen een straat in. Ik houd intussen het afval in mijn hand.

Ik zal het weggooien in de vuilnisbak, zonder te weten wat erop staat.

Sommige geheimen moet je niet willen weten.

16 mei 2017 Er was eens

Bagage

Ik ben met mijn oudste kind in een stad met grachten. Hoewel we onze koffers bij het hotel achterlieten, voel ik nog steeds dat ik iets bij me draag. Bagage van lang geleden. Ik kijk naar haar, zonder dat ze dat ziet. Wat is ze groot. En grappig. En lief. Een cadeau is het dat ze met me mee wil.

Misschien voelt ze het aan dat ik hem verboden heb mee te reizen. Dat ik hem streng heb toegesproken achter te blijven. Zo eenvoudig als dat. Klaar ben ik met hem. Genoeg geweest. In de trein daarnet was ik toch heel even op mijn hoede. Had hij maling aan mijn boodschap? Was hij toch meegereisd? Maar nee, hij zat niet stilletjes naast me. En nee, hij verschuilde zich niet achter haar smalle rug.

Ook in de stad van onze bestemming kwam ik hem niet tegen. We liepen met rolkoffertjes langs bouwputten en opengebroken straten, keken in etalages van kappers (‘Ik telde er wel 16, mam!’) en uiteindelijk lagen we naast elkaar op het grote tweepersoonsbed. ‘En nu?’ vroeg ze. ‘Nu gaan we over de gracht varen’, zei ik, nog steeds verbaasd en blij dat hij niets van zich horen liet.

Ik vaar met mijn kind in een stad met grachten. Ik maak te veel foto’s, omdat ik alles wil vasthouden. Omdat ik eindelijk de moeder voor haar ben die ik zo graag had willen zijn toen zij klein was. Veel te veel jaren liet ik me leiden door de klootzak die angst heet. De bagage van een paniekaanval waar zij onbedoeld bij was, werd elk jaar zwaarder en zwaarder. Dus bleven we dicht in de buurt van een veilige haven.

Die veilige haven heb ik niet meer nodig. Zelfs niet nu we in een boot langs terrassen varen. Een oudere dame heft haar glas naar ons. Ik knijp de hand van mijn kind bijna fijn van gelukkig zijn. Dan zie ik hem.  Ik kijk de angst in de ogen. Tot hij zijn blik neerslaat.

Hij zucht, want hij weet het. En ik ook.

Voortaan zal hij zelf zijn bagage moeten dragen.

4 mei 2017 Er was eens

Arendnest

Het bootje is vaalrood. Een kant ligt dieper in het water. Daar heeft ook het kroost een plek gevonden. Het groene spinrag van het water drapeert zich aan bakboord, waardoor het vale rood toch afsteekt.

Het moet lang geleden zijn dat er gevaren werd. De aanlegsteiger is ingestort. De planken wijzen naar beneden. Niemand zal het in zijn hoofd halen de steiger te betreden.

Het bootje draagt een wonderlijke naam: Arend. Hoewel er na de ‘d’ ook nog een letter zou kunnen volgen. Dat is net niet meer te zien. De boot met vogelnaam werd vergeten.

Hoewel…

Daar staat een picknicktafel. Op de hoek een beker en een asbak. Dat moet het Arendnest van de bemanning zijn. De voormalige bemanning, want de boot is klein en een roker past niet meer. Of lijkt de boot kleiner vanaf hier? Ik speur de kade af naar een jongen die een man werd. Of is het een vrouw?

De trein vertrekt en de boot verdwijnt uit mijn zicht. Dobberend tegen het kroost. Uitkijkend naar de kapitein.

Net als ik.

17 april 2017 Er was eens