Uit 't Copy van Clason

Even

Als woorden blijven haken achter gedachten die belangrijker zijn.

Als woorden van anderen in je hoofd dwalen zodat je niet meer weet of je ze zelf verzonnen hebt of dat ze al ergens op papier staan.

Als letters samen niet meer iets begrijpelijks vormen omdat je vingers verdwalen op het toetsenbord.

Als je de verhalen wel ziet maar niet meer weet ze te vertalen.

Als je liever opgerold op de bank ligt met deken, met boek. Met koffie. Met wijn.

Ben je dan zinloos?

Of slechts even zonder woorden.

Ik hoop het laatste.

16 mei 2019 Er was eens

Fictie, denk ik (2)

Stekkerdozen. Een spade vol modder. Een leeggelopen voetbal. Twee doosjes schroeven. Een tafelblad met een driehoekig stuk eruit gezaagd. Een hondenriem. Een doos met grote stickers erop geplakt: breekbaar! Een jerrycan. Een sleutelbos. Fietsen met banden. Fietsen zonder stuur.

Hij kon zich het begin niet herinneren.

Was het de glazen kan met barsten als bliksemschichten? Of was het de slee met ontbrekende glijders… Misschien was het toch een van de bierdoppen. Het logo gedeukt, het plastic aan de binnenkant nog lichtjes ruikend naar gist. Of het roze mandje zonder inhoud. Het halfverteerde, blauwe touw? De glimmende kralen die parels moesten voorstellen?

Nee, hij wist het niet meer. De eerste keer was hij vergeten.

De eerste keer oprapen. Opruimen. Wanneer zag hij de sporen die mensen achterlieten en besloot hij ze mee te nemen?

Eerst vulde hij zijn zakken. Toen stopte hij het in tassen. Nog later in de bak van zijn fiets. En als het bijna niet te dragen was, sleepte hij het mee op een skateboard. In regen. In wind. In warmte en kou.

Meerdere seizoenen dus.

Ze noemden hem De Stadjutter. Dat was mooi. Mooier dan een naam zonder een beroep. Mooier dan de naam waar hij in een verleden naar luisterde.

Zo’n naam krijg je niet na een paar keer. Niet na de eerste keer.

De jutter van de stad legde de laatste kleinere vondsten op de tafel voor zich.

Een kromme fietssleutel. Een babysokje met blauwe stippen. Een lunchbox zonder deksel.

Straks zou hij de kaartjes eraan hangen. Rubriceren. Archiveren. Het sokje bij ‘OPGROEIEN’ De sleutel bij ‘GESLOTEN’, de lunchbox bij ‘OP’.

Hij keek uit het stukje raam dat nog net te zien was. Er was storm op komst.

Hij knikte tevreden.

Dat werd een prima juttersdag.

25 april 2019 Er was eens

Warm

Haar lichaam verstijft en ze kijkt verschrikt uit het raam. ’Oh nee, zijn we al in Weesp?’ Het is een uitroep, geen vraag. Ze slaat haar handen voor haar mond. ‘Oh laat maar…’

Mensen kijken verbaasd. Ze stapte namelijk zo’n vijf minuten geleden in Weesp op deze trein.

Ze schudt haar hoofd en mompelt ‘Niet op mij letten… ik droomde… ik sliep’.

‘We gaan nu naar Amsterdam’, zeg ik toch maar, terwijl ze dat intussen alweer lijkt te beseffen.

‘Ik heb een jetlag’, zegt ze zacht en begint dan te lachen. ‘Oh wat erg, ik ben helemaal in de war, u zal wel denken….’

Ze slaat de roze sjaal dichter om zich heen. Haar wangen dragen blosjes uit een potje.

‘Ik was op Curaçao’, vertelt ze, ‘bij mijn familie. Ik ben vannacht teruggekomen, maar de jetlag heeft me te pakken. Ik wist even niet meer waar ik was.’

Ze kruipt nog dieper in haar sjaal. De restwarmte van dat verre land houdt ze gevangen tussen de laagjes wol en haar huid.

‘En hoe ouder ik word, hoe meer mijn lijf zegt: hé, we reisden duizenden kilometers, wat doe je me aan en wat is het hier koud.’

We lachen naar elkaar.

‘Wat is het hier koud’, herhaalt ze, ‘misschien blijf ik er de volgende keer.’

Ze staart uit het raam en hoewel we bijna in Amsterdam zijn, zie ik hoe zij in haar hoofd terugreist.

Naar daar waar het wel warm is.

 

 

 

26 maart 2019 Er was eens

Hansje

‘Nee, nee, Hansje! Niet zo grommen en blaffen.’

Hansje, een klein dier met platte neus en wat aan de mollige kant, trekt de vrouw die hem zo berispt zowat omver. Klein maar sterk. Ze gaat door haar hurken en pakt zijn hondenkop in beide handen. ‘Nee, nee.. adem in, adem uit.’ De hond probeert zich uit haar handen te wurmen, maar begint dan zenuwachtig te kwispelen.

Ze staat weer rechtop en kijkt naar de auto waar Hansje compleet overstuur van raakte. Even daarvoor reed het voertuig de stoep op en sneed haar en de hond de pas af.

‘Het is ook niet goed van die meneer’, zegt ze luid. De meneer komt immers net uit de auto gestapt. Hij knikt even naar haar en haalt uit de achterbak een leren koffertje.

Hansje gaat weer volledig door het lint.

‘Nee Hansje!’ roept de vrouw schril en hoog. De man kijkt wat verstoord naar het tafereel. ‘Die meneer mag inderdaad niet op de stoep parkeren maar daar hoeven wij niet helemaal boos van te worden!’ De man opent nu een andere portier en blokkeert zo mogelijk nog meer de doorgang.

Hansje blaft zijn longen uit zijn kleine lijf. De vrouw probeert hem hulpeloos mee te trekken, maar dat lukt niet.

‘KOM MEE!” brult ze en ze kijkt bozig naar de rug van de man die nu een sigaret opsteekt en tegen de auto hangt. Hij negeert hen volledig.

Hansje stopt met blaffen en haalt beverig adem. Dan snuffelt hij aan de wielen. De vrouw zucht diep en trekt aan de lijn. Heel even nog houdt Hansje stand. Hij steekt zijn poot op, perst een paar druppels tegen de rechterachterband en sjokt dan achter de vrouw aan.

‘Teringlijder!’ roept een uitwijkende fietser tegen de blokkerende man.

De vrouw kijkt de fietser bewonderend na.

Want het mag niet immers, daar parkeren. Dat snapt iedereen. Zelfs Hansje.

 

 

7 maart 2019 Er was eens

Geen haarband

‘Als u zo doorgaat, gaan we elkaar nog heel vaak zien’, zegt de opticien. Het klinkt niet onvriendelijk, maar opgetogen is hij zeker niet. ‘Is een touwtje niet iets voor u?’

Ik mompel wat over touwtjes en middelbaar zijn. Hij mompelt iets terug wat ik niet kan verstaan.

Hij legt zijn handen op de verkoopbalie en zakt op een kruk. Aan een reling onder de balie hangt een zachte doek. De man poetst mijn bril met liefde. Niet zoals ik dat doe. Totaal anders.

Hij buigt zich over de lamme bril, draait en frommelt wat, zet pootjes recht. Moertjes, dingetjes. Zijn vak. Nog een keer de doek. Even tegen het licht. Hij is tevreden en staat op.

Omdat hij zeker 2 meter lang is duurt dat even. Een lang persoon heeft meer botten te stapelen voor hij rechtstaat. Ook heeft hij geen haast.

‘U gebruikt uw bril als haarband.’

Het is geen vraag.

‘Als u zo doorgaat en u gebruikt almaar uw bril als haarband, gaan we elkaar nog heel vaak zien’, herhaalt de man beide eerder uitgesproken opmerkingen in een zin.

Ik knik en kijk er schuldbewust bij. Dat lijkt hem goed te doen. ‘Het is aan u, hè!’ voegt hij er nog aan toe, ‘een bril is géén haarband.’

Daar is geen speld tussen te krijgen. Laat staan een touwtje.

 

 

 

 

27 februari 2019 Er was eens

Puberaal

Ik kroel door zijn haar.

Hij trekt de capuchon over zijn hoofd.

Ik omhels hem.

Hij glipt als een gladde vis uit mijn armen.

Ik praat tegen hem.

Hij stopt zijn oortjes in zijn oren.

Ik zing mee met een lied.

Hij zucht erdoorheen.

Ik vertel hem dat hij nog vijf minuten heeft.

Hij gooit de deur dicht.

Ik vraag hem te douchen.

Hij haalt luidruchtig zijn neus op.

Ik zeg: en nu echt naar bed.

Hij zegt: waarom roep je zo gemeen?

Ik kijk naar hem.

Hij doet zijn lenzen uit.

Ik begin met voorlezen.

Hij appt nog even.

Ik zeg: weg die phone.

Hij roloogt.

Ik lees voor.

Hij kruipt bij me.

Ik lees voor.

Hij houdt mijn hand vast.

Ik stop met lezen.

Hij legt zijn hoofd op mijn schouder.

Ok. zeg ik. Nog vijf minuten.

Ah. Tien, zegt hij.

Liefst nog wat langer, denk ik. Maar dat zeg ik natuurlijk niet.

 

26 februari 2019 Er was eens

Stenen golven

De stoep golft. Dat zou me niet moeten verbazen. Ik woon immers op herwonnen land. Nu, na 15 jaar, veranderen de stoepen en straten in de rimpels van de zee.

Eist het water ondergronds langzaamaan het land weer op?

De tegels klimmen hoger en hoger, om bij de drempels van de voordeuren aan te spoelen. Daar tussen thuis en buiten zakken ze in de aarde weg.

Dieper en dieper.

Die tegels werden door mensenhanden neergelegd. Door machines in het zand getrild. Ze maakten de overgang van de hal naar de buitenwereld gemakkelijker. Tegenwoordig stappen de bewoners iedere stap, iedere week, centimeters lager de regen in.

Of de zon.

Ik word ingehaald door een dertiger met in zijn hand een koffie-to-go, aan zijn voet een voetbal.

Hij tikt de bal van links naar rechts, slalomt om de lantaarnpaal. De bal rolt onvoorspelbare richtingen op. Dat ligt niet aan zijn balbeheersing, dat doen de stenen golven.

Hij haalt een echtpaar in. Ze kijken heel even op, maar zijn niet verrast. De man die jongen wil zijn, neemt een slok koffie en schopt de bal niet al te hard tegen een voordeur.

Hij steekt de huissleutel in het slot, opent de deur en de voetbal rolt naar binnen.

Eigen goal. Zo makkelijk gaat dat hier.

14 februari 2019 Er was eens

Vederlicht

In dit vervoermiddel reizen de passagiers samen met hun telefoon.

Behalve zij. Zij zit kaarsrecht met haar handtas op haar schoot. De kleurige sjaal maakt ze iets losser. De verwarming staat aan, extra warmte is overbodig.

Ze kijkt naar buiten en ziet de ganzen hun wonderlijke V vliegen. Ze ziet de kater sluipen door de nu nog kale takken van de heg. Ze ziet de kinderen achter elkaar aan rennen op het schoolplein.

En ze ziet de mensen wachtend bij de haltes. Hun hoofden immer gebogen naar hun scherm. Als de bus stopt, kijken ze op en stappen snel in. Dan is hun omgeving wederom onzichtbaar.

Niet voor haar.

Ze ziet de glazenwasser, de pratende vrouwen met volle boodschappentassen. De eenzame vogel aan de oranje hemel. Ze ziet de oude man schuifelen richting de Lidl. Ze ziet twee zwanen met hun snavels wroetend in de aarde.

En als deze korte reis bijna ten einde is, ziet ze de ogen van het kind in de buggy tegenover haar. Ze begroeten elkaar. De vrouw en het kind. Hun ogen praten woorden.

Zag jij dat ook..?

Ja, dat zag ik ook.

De bus komt tot stilstand. Mensen stappen uit, gehaast.

Zij is dat allerminst. Ze neemt de tijd om haar sjaal beter om te slaan en wandelt voor me uit.

Rustig, kin omhoog, vederlicht.

Dat gebeurt als je kijkt.

11 februari 2019 Er was eens

Het duo

Twee mannen fietsen naast elkaar. Een op een mintgroene fiets die ook met heel veel bloemen is versierd. Hij helt een beetje achterover. Zijn stuur is hoog. Het is een hippiemotor zonder benzine. Hij draagt een lange jas, een warrige baard, haren tot over zijn schouders.

Naast hem fietst zijn tegenbeeld: een man in kostuum met kortgeknipte haren. Een aktekoffertje op het stuur, lichtjes tegenhoudend met zijn vingertoppen. Hij zit rechtop. Zijn schoenen glimmen.

Ze fietsen me voorbij, deze twee volledig verschillende mannen. Ze praten luid. Ze lachen hardop. Ze horen bij elkaar en toch weer niet.

Ziet iedereen beide mannen? Zien die tegemoetkomende mensen daar ook de man met de baard? Of zien zij alleen de man in het pak?

Het duo is bijna uit het zicht.

Ze fietsen zo synchroon dat het lijkt alsof ze elkaars schaduw zijn. Of nee. De man met het pak fietst met zijn alter ego. Alleen zichtbaar voor degene die verder kan kijken.

Ze nemen de binnenbocht. Een auto toetert naar ze. Of naar hem alleen.

Ik hoop het laatste.

25 januari 2019 Er was eens

Mrs S.

De Haarlemmerstraat is nog rustig. Een handjevol toeristen zit te wachten bij coffeeshops die nog niet open zijn. Winkeliers zetten hun reclameborden buiten of laten een luifel zakken.

Wij zitten in deze straat achter het glas, vol in de zon, en drinken koffie. Aan de andere kant van het raam staat een bank. Dit buitenmeubel is een belofte voor het voorjaar. Kijk maar, hier kun je zitten, als de zon schijnt is het hier warm, behaaglijk. Je komt dan toch wel terug?

Ondanks dat het nu te koud is, neemt voor de derde keer een toerist plaats op die voorjaarsbank. Ze poseert voor haar reisgenoot. Zitten met een been naar voren, haar haar links langs haar gezicht, kin omhoog, lachen, een foto, en ze gaan weer weg.

We zagen dit tafereel drie keer het afgelopen uur. Bij elke foto zijn we onbedoeld het achtergronddecor.

We lachen. Vandaag worden minstens drie vrijwel identieke foto’s op Insta geplaatst. Of Snapchat.

Uniek zijn is moeilijk.

Eenmaal buiten fotografeer ook ik een herhaling, maar dan een straat verder. Dit beeld is eveneens niet exclusief. Frustrerend en tegelijkertijd geruststellend.

Toch heb ik spijt dat ik Mrs. S. niet heb gefotografeerd. We kennen elkaar nu zo’n acht jaar. Zonder Twitter was ik haar zomaar voorbijgelopen in dit leven.

Hoewel je misschien nooit misloopt wat zo moet zijn.

Volgende keer zet ik haar midden in het straatbeeld. Ondanks ik weet dat ze dat verafschuwt.

Ineens begrijp ik de toeristen. Het gaat niet om het bankje, om de gevels, de grachten.

Het gaat om dat wat op de voorgrond staat.

 

24 januari 2019 Er was eens