Uit 't Copy van Clason

Het verwijt

Ik denk vaak dat als ik iets negeer, dat het dan vanzelf wel weer goed komt.

Zo negeer ik al een lange tijd een almaar heviger borrelend gootsteenputje. Elke keer als ik iets omspoel of mijn handen was, pruttelt uit de onzichtbare buizen een verwijt.

‘Ja, hallo, hiero! Hier hoor je het begin van een rioolprobleem. Wat? Je negeert dat? Zeg! Een probleem had dit niet hoeven zijn als jij je aan de wijze raad had gehouden. Die raad dat je geen vetten en oliën zou doorspoelen. En wat dacht je van de koffiedrab? De rijstkorrels? De halve sperziebonen enzovoort, enzovoort?’

Ik droog mijn handen af en kijk naar het water dat langzaam verdwijnt. Een laatste vloek uit het putje, meer een boer, en het gevaar is geweken.

Voor even dan. Ik denk dat negeren niet meer helpen zal dus zoek ik behalve een ontstopper ook maar alvast het nummer op van die twee mannen die hier al vaker zijn gekomen om geld te verdienen aan mijn slechte rioolbeleid. De laatste keer was het een toiletblok. De keer daarvoor te veel vet.

De prijs kan mee- of tegenvallen. Hangt af van de opstopping, verstopping. Ze sluiten een soort stofzuiger op het systeem aan, draaien kranen open en dicht, en floep. De boel doet het weer.

Ik zet de ontstopper als dreigement naast de wasbak. Ik spoel een appel en het putje zwijgt.

Kijk. Negeren met wat hulp kan ook. Ik draai me om en neem een hap. Achter me klinkt een zachte, borrelende berisping.

Nooit te vroeg juichen. Nooit.

16 november 2018 Er was eens

Stroomstoring

‘Een tosti dan?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Kan ook niet.’ Hij kijkt om zich heen. Nu de koelkast niet zoemt en de automatische luchtventilatie ermee is opgehouden, valt me pas op hoe stil het in huis is. Zelfs buiten leek het zo-even stiller.

Elektriciteit maakt meer geluid dan ik dacht.

‘Wat moet ik nou doen.’ Hij trekt een draadje uit zijn sok, zucht diep en slaat zijn armen troostend om zichzelf heen.

Hij staat op, schopt wat tegen een niet-bestaande bal en pakt dan zijn gitaar. ‘Hé mam! Zal ik wat voor je spelen?’ Ik kruip op de bank en sla een deken om mijn schouders. Stadsverwarming is ook afhankelijk van energie. Hij speelt ‘Altijd is Kortjakje ziek’. Wel een keer of 30. Als hij klaar is, springt hij op mijn buik en slaat de deken over ons beiden heen.

We praten. Over school. Over welk nut deodorant heeft. Hij vraagt of ik me niet doodverveelde in mijn pubertijdperk zonder elektriciteit. Oh, was dat er wel toen al? We lachen en doen een woordspelletje. En we verzinnen wat heel erg is als er geen elektriciteit is. ‘Als je nu vast zit in de lift’, vindt hij, en kruipt in mijn hals. Ons praten wordt steeds trager.

We schrikken van de koffieautomaat die plotseling driftig spoelt en van een droge klik van de ventilatie. ‘Yes! Ik kan gamen!’ roept hij blij en gooit de deken van ons af. Met twee treden tegelijk rent hij naar boven. Ook mijn telefoon doet het weer, berichtjes komen met zachte piepjes binnen.

Zo’n stroomstoring is de ultieme ontwrichting van de maatschappij, dat was net al in het klein te zien na afloop van de voetbalwedstrijd. De meeste telefoons hielden ermee op en een persoon hield de van de wereld afgesneden aanwezigen op de hoogte, tot ook zijn telefoon niks meer deed. Verkeerslichten werkten niet, mensen waarschuwden elkaar. Een automatische deur werd door een paar jongens met de hand geopend en mensen deelden slokken koffie uit die ze meebrachten in een roze thermoskan.

Ontwrichting in het klein. En tegelijkertijd een beetje meer samen, zo kun je wel stellen dat geen stroom ons dichter bij een ander mens brengt.

Net als ik net dichter was bij een ander. En wat voor eentje.

Af en toe geen elektriciteit. Een uurtje of twee. Om weer te weten waar je wél energie in steken moet. Wel de liften mijden, er zijn grenzen natuurlijk.

 

 

6 november 2018 Er was eens

Twee zowaar

De ironie is dat ik nooit een bril nodig had. Ik was daar ook trots op, me bijna overal bevindend tussen de mensen met brillenglazen. Een onterechte trots natuurlijk. Hetzelfde als trots zijn op benen die onder je oksels beginnen. Of een natuurlijke krul in je haar.

Dingen die ik niet heb overigens.

Afijn. Ik was trots op mijn zicht. Mijn blik. Mijn kijk op de dingen.

En zo zie je maar.  Allemaal met een swipe naar rechts geveegd. Of links. Zo gaan dingen, zo is het leven en nog een stapje verder blijkt dat een bril niet eens meer kan helpen.

Of toch wel?

Sinds vorige week ben ik de bezitter van twee brillen. Twee zowaar! Eentje voor het scherm en voor mijn boeken. Eentje voor Netflix en meerijden in een auto.

Ik wist niet dat de diepte was verdwenen. Ik zat te wachten op wat komen ging. Onnodig. Want terwijl het wachten was begonnen, kon de opticien al lang en breed toveren met glazen.

Afijn. De ironie zou de ironie niet zijn als ook dit iets vreemds teweeg heeft gebracht. Ik loop namelijk te pronken met mijn veren. In dit geval met het glas voor mijn ogen.  Zie mij nu eens goed zien! denk ik steeds.

Sinds vorige week ontdekte ik zomaar dat iets dat ver leek toch dichtbij kan zijn.

Wonderlijk hè. Vind ik wel.

30 oktober 2018 Er was eens

De handkus

Op het perron schuifel ik met veel mensen richting de roltrap. De rij wordt smaller. We moeten de trap op en er zijn haastige reizigers die wat beginnen te duwen. Ik probeer niet te veel na te denken over deze massa mensen die nu geen kant meer op kan behalve naar boven, want dat ga ik nu bijna.

Als de oudere dame voor me nu eindelijk maar eens die stap durft te zetten…

En dat lijkt er voorlopig niet op. Ze aarzelt, ze kijkt achter zich, haar donkere ogen schieten over de hoofden. Mensen worden ongeduldig en duwen nu harder in mijn rug.

Een jongen, witte blouse, kaalgeschoren hoofd, schiet de roltrap op. In een flits pakt ze zijn arm met beide handen en neemt de stap. De jongen wankelt even door het extra gewicht. Hij houdt zich staande en kijkt verrast naar deze roltrapliftster.

De vrouw praat tegen hem in haar taal. Het klinkt verontschuldigend, gespannen en ze houdt hem nog steeds vast. Met zijn linkerhand haalt hij haar handen van zijn bovenarm. Maar hij laat haar niet los. Hij zegt iets tegen haar. Ze wrijft over haar ogen.

Bijna zijn we boven en de jongen houdt nog steeds haar hand vast. Hij helpt haar de stap te nemen als we van de roltrap moeten.

Ze nemen een pas naar de zijkant waar de vrouw haar vrije hand op zijn wang legt. De jongen brengt de ander naar zijn lippen en kust de rug van haar hand.

Ze is niet verbaasd. De handkus lijkt gepast. Bijna alsof ze niet anders is gewend. Hij laat haar los en ze gaan ieder een eigen kant op.

Heel even kijkt hij nog over zijn schouder. Ze ziet het niet.

26 oktober 2018 Er was eens

Prima

Links van het scherm kijkt zij naar mij zoals alleen een tweejarige kan kijken. Een onbedoelde selfie is het. Haar eerste. Nu bijna 14 jaar terug. Ik heb de foto een paar maanden geleden naast het scherm neergezet. Omdat ze me laat lachen. En nog beter: alles laat relativeren. Haar blik is ongeëvenaard.

Gisteren belde de nu 15-jarige me uit Italië op. Op de achtergrond de giebelende stemmen van meisjes van 15, 16 jaar oud. ‘We zitten op een pleintje en eten een ijsje.’ De verkleinwoorden maken het wat makkelijker allemaal. Zij daar op al die kilometers afstand.

Want wat een fabel is dat. De navelstreng wordt fysiek doorgeknipt, maar is er nog steeds. Ja, de rek is groter. Ze kan nu al helemaal in haar eentje met een bus mee. Zelfs het land uit. Overdag voelt het prima, zo’n puber op reis en verhalen verzamelend voor later. In de nacht voel ik echter de leegte van mijn maag, mijn buik. Net zoals ik dat na de bevalling heb ervaren.

Nooit heb ik geweten dat je meerdere keren bevalt van hetzelfde kind.

‘We gaan op tijd terug naar het hotel hoor, mevrouw!’ riepen haar vriendinnen. Het klonk alsof ze rondjes om haar heen renden. Gelach. Gefluister. En haar droge commentaar: ‘Mijn moeder antwoordt ‘OK! Die vindt het allemaal prima!’

Vandaag gaat de jongste op brugklaskamp. Dichterbij dan Italië.

Prima, vind ik het. Hij daar, zij daar en ik hier.

Prima. Allemaal.

 

15 oktober 2018 Er was eens

Ongezien

‘Ik zag je wel kijken hoor!’

‘Eh.. ik keek niet.’

‘Hahahaha…’

‘Ik begrijp niet waarom je lacht.’

‘Haha..’

‘Echt niet!’

‘Ha..’

‘…’

‘…’

‘Ik keek niet.’

‘Wat jij wilt.’

‘Dat je weet dat ik niet keek, dát wil ik.’

‘Oh. Nou, je keek niet.’

‘Dat zeg je maar.’

‘Je keek niet en zag het niet.’

‘Ja. En nu moet je er anders bij kijken als je dat zegt.’

‘Je keek niet en zag het niet…Zo beter?’

‘Mmm.’

‘Wel jammer.’

‘Wat?’

‘Het was heel grappig namelijk.’

‘Wat?!’

‘Dat waar je niet naar keek en niet zag.’

‘Oh.’

‘Ja. Heel grappig. Jammer hoor.’

29 september 2018 Er was eens

Eigen vuurtoren

Ik ben bang in het donker. Al zo lang als ik me kan herinneren. Dus is er altijd een lampje. Altijd een ijkpunt. Altijd iets om te zien.

Want is het aardedonker, is het pikzwart, dan stik ik. Dan valt mijn adem in stukjes terug op mijn gezicht. Dan voel ik de begrenzing niet. Of is de begrenzing juist op millimeters van mijn zijn.

Ik herinner me de logeerpartijtjes bij hen die het donker omarmen. Mensen die bij elke opkomende zonnestraal het dekbed over hun hoofd gooiden. Tijdens deze nachten lag ik met steeds sneller kloppend hart te wachten tot mijn ogen gewend waren. Ik telde tot honderd. Of duizend. Soms viel ik pas in slaap bij het eerste ochtendlicht.

Sinds een paar jaar zie ik altijd licht in het donker. Een lichtflits van links naar rechts. Soms langzaam. Dan weer snel. Niemand ziet het. Ik vroeg dat namelijk.

Alleen ik.

Ik zie een zoeklicht van een niet bestaande vuurtoren. Een geluk bij een ongeluk. Het is mijn eigen baken in de nachtelijke, zwarte ruimte die mij zo beangstigt. Of nee, beangstigde.

Elke vuurtoren heeft een eigen lichtpatroon, las ik. Aan dat patroon herkennen de zeevaarders de toren en weten zij waar ze zijn.

Het stemt mij uitermate gerust dat ik altijd terug kan keren als ik wegdobber in het donker.

Een eigen vuurtoren die me laat weten waar ik ben. Dat is met recht een lichtpuntje aan de horizon.

 

 

 

27 september 2018 Er was eens

De reizigster

Om te reizen hoef je je niet te verplaatsen. Dat bewijst de vrouw op deze bank. Ze is er wel. En toch ook niet. Voorovergebogen slaat ze de bladzijden van haar reisbestemming om. Ze wandelt door letters, in een gestaag ritme. Weer een pagina. Nog een.

Rechts van haar slenteren toeristen, ze dragen de al opgeblazen luchtbedden onder hun arm. Een late visser schudt zijn netten naast haar bankje uit en wist het zweet van zijn voorhoofd. Een kind klimt op de muur voor haar, roept iets uit, balanceert gevaarlijk.

Ze ziet ze allemaal niet. Ze is er niet. Niet echt.

Ze reist ietwat ongemakkelijk, deze vrouw. Geen zonnebril, afhankelijk van de schaduw. Maar dat lijkt haar niet te belemmeren. De bladzijden vliegen door haar vingers. Met een van hen wijst ze zichzelf de juiste weg. Van links naar rechts.

Een jongen neemt plaats op de bank achter haar. Hij wrijft zijn voeten zandvrij en trekt sneakers aan. Als hij opstaat, zijn handdoek om zijn schouders slaat, kijkt ze even naar hem om. Een vlugge blik.

Het ritme van haar reis is verstoord. Langzamer slaat ze de pagina’s om.  Ze blijft hangen op een zin. Ze kijkt wat vaker op. Ziet de kinderen spelen op het strand. En draait haar hoofd naar een vogel.

Het is tijd voor een pauze. Een tussenstop. Ze slaat het boek dicht en haar handen strelen de kaft. Precies in het midden steekt een boekenlegger uit de woorden.

De reis is nog lang niet ten einde. Gelukkig maar.

 

 

24 september 2018 Er was eens

Milde wegversperring

Hij zakt op zijn knieën. Zijn hoofd in zijn nek, handen boven zijn hoofd. Dan laat hij zich als een zoutzak naar voren vallen en slaat zijn handen op de tegels. Hij klinkt als een gewond dier, steeds luider en luider gromt hij, roept hij. Hij is onverstaanbaar en toch duidelijk een en al verontwaardiging.

Mensen slalommen hun winkelkarren om het protesterende lijfje heen. Links naast hem de ananassen. Rechts de zakken sla. Tegenover hem een jonge man.

Zijn vader.

De winkelende toeschouwers lijken onverstoorbaar. Het is dan ook niet hun kind. Een enkeling haalt een wenkbrauw op. Een oudere dame twijfelt even of ze zich ermee bemoeien zal, maar bedenkt zich en loopt een ander pad in.

Het geluid is gestopt. Het slaan met de handen gaat nog wat door. De vader laat zijn schouders zakken. De overlast is nu beperkt tot een milde wegversperring. Dat is te overzien.

Dan zit het kind op zijn hurken. Krabbelt overeind. Zucht diep. Strekt zijn armen naar zijn vader uit. Die gaat nog rechterop staan en schudt zijn hoofd. ‘Nee Samuel. Je moet echt zelf lopen.’

Samuel staart met trillende lip naar zijn vader. Zijn vader staart terug.

Dan draait de laatste zich langzaam om. ‘Kom’, zegt hij, zonder achter zich te kijken. Samuel kijkt naar de ananassen. De zakken sla. En naar de rug van zijn vader.

Een voet naar voren. Dan de ander. Een voorzichtige huppel volgt.

Het pad is weer vrij. Ik kan bij de ananassen.

 

17 september 2018 Er was eens

Vliegen

De klap is zo onverwachts dat er tussen het geluid van de klap en de eerste reactie een verstilde rust is. Letterlijk. Een paar seconden is er ruimte voor een diepe teug adem waarna de luide kreet kan ontsnappen.

Mensen schuiven hun stoelen naar achter. Praten, roepen, wijzen. Anderen, verder weg, gaan staan, op hun tenen, maar ze kunnen het vanaf hier niet zien.

Boven dat wat de klap veroorzaakte hangt een meeuw. Ze schreeuwt haar longen uit haar lijf. Door de hevige wind moet ze alles op alles zetten om te blijven zweven. Ze roept naar een bruine, grote vogel op de grond.

Haar kind.

Het meeuwenkind lijkt groter dan haar moeder, maar is verdoofd door de klap tegen het glas. Ik had haar zo-even zien zitten. Ze landde met moeite op het dak van de strandtent. Daarom viel het me op. Naast haar haar witte ouders. Zo leek het. Een eerste vliegles?

De wind speelde haar parten of zou ze de glazen windschermen niet hebben gezien. Ze viel als een baksteen naar beneden en klapte tegen de ruiten waarachter de zee nog steeds wild schuimt.

Twee mannen twijfelen. Hun vrouwen wedijveren wie de vogel gaat redden. ‘Pak ‘em John!’ Maar John vraagt eerst de serveerster of het veilig is. Ze haalt vertwijfeld haar schouders op, zet zelfs een stap naar achteren. De andere man bukt zich, zijn zonnebril verbergt de blik van zijn ogen.

Het is daarom dat hij ogenschijnlijk zonder een glimpje twijfel de gevallen vogel optilt. Hij houdt haar vleugels onder zijn handen in bedwang. Met gestrekte armen loopt hij het terras van de strandtent af, zo kan haar snavel hem onmogelijk raken.

Zijn evenwicht is even verstoord als hij in de volle wind de vogel omhoog gooit. Een soort natuurlijke beweging, denk ik. Vogels gooi je omhoog. Vliegen, hup.

Het kind, gelukkig niet meer zo suf dat ze niet vliegen kan, strekt de vleugels uit en cirkelt omhoog. Haar moeder krijst en tiert. Vliegt rondjes boven de man.

Loslaten is moeilijk en al die gevaren. Zelfs zij vindt het niets, die vogelmoeder.

Een stiekeme troost, daar op dat eiland in de Waddenzee. Wie had dat gedacht.

 

29 augustus 2018 Er was eens