Uit 't Copy van Clason

Fictie, denk ik (3)

Alles veranderde en ze kon er niks tegen beginnen.

Nee, ze had het nu eens niet over hangende vellen die vele gisteren geleden nog vlezig en gevuld waren. Niet over de groeven had ze het. Niet over het almaar strammere bewegingsapparaat dat haar met ontstellende krachten toch de trap op en af liet lopen.

Nee. Ze had het niet over uiterlijkheden. Ze had het over alles om haar heen. De wisseling van de bewoners in de huizen in de straat. De verhuiswagens die, zo leek het althans, steeds sneller voorreden, huizen leegroofden en ze behalve meubels ook van bewoners ontdeden.

Toeteren, zwaaien. We houden contact, ja dag, dag hoor.

Amper de hoek om arriveerden de wagens die de volgende nog ietwat verdwaasde mensen uitspuugden. Nieuwelingen, soms met babybuiken, met kinderfietsen die – ook bij hen – in sneltreinvaart brommers en nog wat later auto’s werden.

Bij deze mensen klopten binnen jaren die uren leken ziekte en soms de dood aan. Een scheiding. Een nieuwe liefde. Een nieuwe baby. Gevolgd door weer een busje of een luxe verhuisbedrijf dat spullen verzamelde of uitbraakte. Vol of leeg vertrok.

Alles veranderde en ze kon er niets tegen beginnen. Ze kon enkel aanschouwen. Het decor bekijken waarin zij figureerde en de veranderingen voor lief nemen.

Het was een timelaps, steeds sneller en sneller.

In het midden stond zij. In het oog van deze tijdorkaan. Zij stond in het lagedrukgebied. Daar waar nauwelijks iets bewoog. Geen zuchtje wind was.

Wachtend of afwachtend? Misschien wel.

Tot ook zij door de storm zou worden opgepakt en meegevoerd

De straat uit.

De stad uit.

Of verder weg.

 

 

12 november 2019 Er was eens

Drumstok

Elke keer als hij een lantaarnpaal raakt, klinkt een andere toon.

Een hoge pling.

Een lagere plong.

Een dof geluid.

Een met een echo.

Ik hoor hem eerder dan dat ik hem zie. Hij rijdt me op de stoep voorbij, zo rakelings dat ik de lucht voel verplaatsen.

Zijn zadel is te laag afgesteld voor zijn lengte. De centimeters die in de zomer erbij werden gesprokkeld, werden nog niet gezien – of er was simpelweg nog geen tijd om de fiets op de juiste hoogte bij te stellen.

Ondanks de onverwachte warmte draagt hij een capuchon over zijn hoofd. Cool zijn is niet per se koel.

In zijn linkerhand houdt hij een sleutel vast. Het is zijn drumstok die hij bij elke lantaarnpaal gebruikt.

Ploing….

Pling…

De derde lantaarnpaal mist hij. Zijn fiets wankelt ervan, bijna rijdt hij de stoep af. De jongen kijkt om zich heen.
Zag iemand zijn falen?

Voordat zijn blik mij kan ontwaren, draai ik mijn gezicht weg en kijk de andere kant op.
Niemand zag het, weet hij nu. Helemaal niemand.

Hij is cool.

Hij heeft ritme.

Hij raakt de juiste noot.

Ploing.

Ping.

Nog vier palen. Bijna thuis.

4 november 2019 Er was eens

Donker kijken

We praten over ogen. Dat is hier niet een gek onderwerp. Wat wel gek is, is dat we elkaar voor dit gesprek nog niet hebben gezien.

Ik zit namelijk al tien minuten in mijn eentje in het pikkedonker donker te kijken.

Dat heeft een doel, legt de onderzoekster me uit. Iets met staafjes en kegeltjes.

Haar stem is prettig en warm. Ze is jong, zegt ze, de helft van mijn leeftijd: 24. Dat vertel ik haar. Ik kon haar moeder zijn, dat vertel ik niet.

Ze vraagt of ik goed zit.

Of ik het niet te warm heb.

Of ik mijn kin goed kan laten rusten.

En of ik dan nu naar het rode punt wil zoeken.

Ik zie geen punt. Niets. Het blijft enorm donker.

Ze mompelt wat, draait aan knoppen, schijnt plots met een zacht licht op haar toetsenbord waardoor ik de contouren van haar gezicht en een lange bos krullen kan zien.

En nu? vraagt ze na een tijdje. Ik schud nee, maar ontken ook snel hardop. Ze kan me immers niet zien. Ze vloekt binnensmonds. Heel vaag ruik ik haar parfum als ze iets dichterbij komt.

Als je niet kunt zien, ontdek je hoe goed je hoort en ruikt.

‘Ik maakte vroeger veel foto’s met spiegelreflexcamera’, begin ik voorzichtig. Ze humt wat. ‘En toen kon ik een keer almaar het beeld niet zien.’ Ze luistert naar me.

‘En tja.. toen bleek dat ik de dop nog voor de lens had laten zitten.’

Ze verschuift haar stoel. Ik denk te horen dat ze zelfs haar adem even inhoudt.  Dan een klik.

Een knipperend rood punt komt in zicht.

Heel even kucht ze. Dan moeten we allebei lachen.

Heel hard.

Hoewel in het donker alles luider lijkt.

Dat wel.

 

 

 

12 september 2019 Er was eens

Schommelen

Van dichtbij zie ik dat ze ouder is dan ik dacht. En ik zie een glimlach. Van oor tot oor. Haar rokken wapperen in de wind. Haar benen houdt ze gestrekt naar voren, schuin in de lucht. En zo zwaait de schommel haar in volle vaart naar boven. Haar gezicht heft ze op naar de hemel, omdat haar haren verborgen zijn onder een hoofddoek, speelt de wind enkel met de vrolijke stof.

De man naast haar kijkt verlegen naar ons. Hij schommelde net ook, heel lichtjes, maar stopte toen we bijna passeerden. Ik kan zijn lachrimpels zien. Hij hoeft niet te lachen om te laten zien waar de sporen van vrolijkheid in zijn gezicht zijn achtergebleven.

Ze moedigt hem aan in een taal die ik niet kan verstaan. Hij schudt zijn hoofd en wijst naar ons.

Ze lacht hem uit.

Dat denk ik tenminste. Ze laat zelfs een hand los en slaat hem in het voorbij zwieren op zijn schouder. De man moppert wat maar kan een vage glimlach niet onderdrukken. Voorzichtig zet hij zich af en schommelt een klein beetje heen en weer.

De vrouw juicht en ik ook.

Ze begint te zingen. Een lied dat ik na twee keer een straat oversteken, almaar verder verwijderd van het schommelende stel, nog steeds hoor.

‘Je glimlacht nog’, zegt ze. Ik voel het. ‘Zo blijven de rimpels beter staan’, antwoord ik. Ze roloogt. ‘Blijven lachen dan maar’, zegt ze.

Slim kind.

10 september 2019 Er was eens

Plassen

Hij gaat naar zwemles. Dat zie ik toch wel?

Ik zie het zeker. Hij draagt een gevaarlijke zwembroek vol grijnzende haaien. Ook hij bekijkt zijn zwembroek, zonder spiegel moet hij zich vooroverbuigen. Een wankele aangelegenheid als je ook nog eens een rugzak moet vasthouden. Dan staat hij weer recht en wiebelt van zijn ene op zijn andere been.

‘Kun jij zwemmen?’ vraagt hij wat argwanend. Ik zeg dat ik dat kan. Hij kijkt naar mijn hardloopschoenen. ‘Ga je nu zwemmen?’ Ik schud mijn hoofd. Hij dacht dat eigenlijk al. Met schoenen kun je niet zwemmen.

Hij begint steeds meer te wiebelen. Ik herken de dans van de volle blaas. Ja, hij moet plassen. Maar zijn mama is nog steeds niet door het hekje gekomen. Hij kijkt benauwd naar rechts. Geen moeder te bekennen.

Denk ik dat hij wel even naar de wc zou mogen van zijn mama? Ik weet dat niet, maar daar komt zijn evenbeeld in een grotere versie aan.

Het spijt haar dat haar kind zo tegen me stond te babbelen, doet hij altijd, met iedereen praten. Een punthoofd krijgt ze ervan. Zijn moeten plassen wuift ze weg, hij is immers net geweest. Nu weer naar het toilet, daar is geen tijd voor. Ze duwt hem met zachte dwang door de deur naar het zwembad.

Even later springt hij in het water. Terwijl hij zijn hoofd boven water houdt, zwaait hij naar zijn moeder.

Ze zwaait terug. Ze ogen beiden opgelucht.

Zij omdat ze hem weer op tijd heeft afgeleverd bij de les. Hij vanwege het legen van zijn blaas.

Dat laatste verzin ik. Maar ik kan zomaar gelijk hebben.

 

5 september 2019 Er was eens

Opgerekt

Hij rekt zijn hele wezen op.

Niet alleen de hoogte in. Niet alleen de grootte van zijn voetafdruk. Niet alleen de lengte van zijn handen die nagenoeg die van mij kunnen omvatten. Ook zijn stembanden rekken op naar kanten waardoor ik het kleine in hem begin kwijt te raken.

Ik schrik soms op omdat er een vreemde vent in huis lijkt te zijn. Maar ondanks dat deze man enorm kan vloeken als een volwassen bootwerker, blijkt het nog steeds een 12-jarige van eigen vlees en bloed te zijn.

Elke dag zie ik iets anders aan hem. Een nieuwe gezichtsuitdrukking. Een andere moedervlek of sproet. Maar vooral de extra centimeters die er elke nacht bij lijken te komen.

Hij rekt zijn hele wezen op.

Dusdanig dat hij met steeds meer moeite terug kan het in het geborgene van mijn schoot. Hij verheugt zich erop dat hij me op kan tillen.

Aan de kant zetten, denk ik als ik somber ben.

Dragen, denk ik als ik vrolijker ben.

Hij rekt zijn hele wezen op.

Een wens die ik zelf begon uit te spreken omdat hij zo klein bleef. En nu deze wens wordt vervuld, zou ik stiekem toch wat anders willen. Zoals armpjes om mijn nek. En mollige beentjes om mijn middel.

Als ik hierover sta te zuchten, omhelst hij me. Zijn hoofd past nog in mijn hals.

Hij rekt zijn hele wezen op. En ik rek tijd.

Totdat hij zich losmaakt uit de omhelzing.

Om verder op te rekken natuurlijk.

Heel natuurlijk allemaal.

Ja, ja.

 

 

 

3 september 2019 Er was eens

Prutlamp

De lampenkap viel eraf. Dat deed de temperatuur. De hitte loste de lijm op en de kap is onherstelbaar.

Het is het minste dat de afgelopen maanden veranderde. Maar het is vrijwel meteen een project. Iets dat wél valt op te lossen.

Dus zoek ik drie weken naar vervanging. Nieuw. Nieuwer. Anders. Een grote.

De lichtbundel moet een ruimte met een hoogte van 3 meter verlichten. De lamp is letterlijk het centrum van dit huis. Op deze eerste verdieping schijnt zij tussen slaap en woon haar licht.

En dat licht is belangrijk, want aan de tafel, onder de lamp, wordt gegeten. Gewerkt. Gelezen. Gepraat. En weer gegeten.

En nu de dagen heel langzaamaan weer korter worden, is een nieuw lichtpunt hard nodig. Zo gaat dat namelijk, in donkere tijden zoek je naar licht.

En dan vind ik haar.

Hij schopt zacht tegen de lege doos.
‘Prutlamp’, zegt hij, ‘wat een prutlamp.’
En: ‘Alles gaat kapot steeds maar.’
Hij veegt boos een traan weg.

De lamp hangt.
‘Ik weet zeker dat hij t ook een prutlamp zou hebben gevonden,’ zegt hij.
Ik knik, want dat zou zomaar kunnen.

Kon ik het hem maar vragen.

 

12 augustus 2019 Er was eens

Zelfs niet

De emergencyknop van de loopband bevestig ik altijd aan mijn shirt. Het zal mij niet gebeuren dat ik als heuse slapstick de fitnesszaal in word geschoten. En ja, de knop heeft me al heel wat keren gered tijdens mijn loopje op dezelfde plaats.
Omdat ik een losse veter had.
Omdat mijn phone op de loopband viel.

Of ik activeerde hem met ongecontroleerde armbewegingen.

Vandaag heeft iemand de draad die aan de knop zit kunstig vastgebonden. Ik moet goed kijken om te voorkomen dat de boel extra in de knoop raakt. De kleine speurtocht naar het uiteinde neemt kostbare sportminuten in beslag.

Ik zucht ervan.

Het lijkt verdomme wel alsof degene die dit deed de noodknop verzekerde. Verankerde.

Waarom? Om mij in rust te laten beslissen of ik hem aan mijn shirt wil bevestigen? Ongevraagd mij de kans bieden om zonder ankers hard te lopen?

De knoop is los.
Ook vandaag gebruik ik hem.

Wat had ik die knop graag willen activeren slechts een paar weken terug. Alles on hold. Gered. Gestopt. Niemand bezeerd. Ongedeerd.

Het meest stomme van het leven is dat zo’n knop niet bestaat.
Niet tegen pijn. Niet tegen verdriet.
Zelfs niet tegen de dood.
Zelfs dat niet.

11 juli 2019 Er was eens

Alle tijd

De klokken van de kerktoren beieren door haar woorden. Ze moet een paar octaven hoger praten, en harder, om zichzelf verstaanbaar te maken. Ze geeft het op en pakt haar glas.

Beneden trekt een man de deur dicht en wandelt naar de mis. Of de dienst. Ik denk het laatste. Een vrouw verderop sluit een raam en meteen ook de gordijnen. De donkere wolken beloven regen.

En regen kent geen uitzicht.

Tot de eerste druppels vallen waaien onze haren voor dat zicht. Net zoals de strengen van de kinderen daar beneden op het sportveld. Hun haar wappert om hun hoofd. Ze zijn allemaal blond. Lichtgevend blond. Misschien zagen we net dat meisje daar bij de supermarkt. Of dat jongetje dat nu een koprol maakt.

Mensen begroeten je hier namelijk, en elkaar. Op de fiets. En vanuit hun auto. Ze rijden al zwaaiend langs de huizen en kijken nauwelijks of hun groet wordt beantwoord. Die huizen kennen overigens twee entrees, een nette kant, daar zijn de voordeuren gesloten. Loop je achterom dan staat de deur wagenwijd open.

Onze fietsen zijn gehuurd en elektrisch. ‘Het waait hier behoorlijk’, haalde ons over de streep. Morgen gaan we naar een eiland. Met de fiets op de boot.

Maar morgen is nog mijlenver weg. Want vijf minuten zijn voorbij sinds de klok ons gesprek onderbrak. Vijf minuten die voelen als het uitzicht: uitgestrekt en oneindig. We hullen ons in stilte hier boven de daken van dit dorp. Tot de klok ons zal wakker schudden.

De reden van zijn bestaan, begrijp ik nu. Een wake-upcall voor de dorpelingen die anders zouden verstillen in tijdloze tijd.

Nog 25 minuten tot de volgende slagen. Geen haast, we hebben de tijd.

19 juni 2019 Er was eens

Zilveren pailletten

De eerste keer dat het gebeurde was ze verrast. En misschien nog wel meer omdat het meisje zich niet verontschuldigde. Dat kind bleef tegen haar praten, ze zei niet: ‘Oh pardon, u bent geen meneer maar een dame.’ Want dat was ze. Een dame die net met ‘meneer’ werd aangesproken. Het meisje merkte het niet op. En zij gaf het niet aan.

Uit schaamte?

Nadien zag ze wat het meisje had gezien. De weerspiegeling in de etalage toonde hoe ze was getransformeerd van een vrouw in een man.
Het was alles bij elkaar. Ze liep krommer dan ze zich kon herinneren. Haar kapsel was platter dan ze in de stoel van de kapper had zien ontstaan. En de aardetinten die haar altijd zo mooi hadden gestaan, kleurden de sekse-verandering in stijl af.

Een man was ze. Een kopie van haar oudere broer. Haar jongere zelfs. Ze bleef staren naar zichzelf in die winkelruit. Tot ze de etalage weer zag. Een pop in een jurk met zilveren pailletten.

Ze probeerde rechter te gaan staan. Bevalliger. Ze hield haar handtas niet langer vast alsof ze een kind tegen haar boezem aandrukte.

Het beeld bleef onveranderd mannelijk.

Ze draaide zich een kwartslag en toen ook dat niet hielp, sloeg de wanhoop toe. Was ze daar nu zo oud voor geworden? Al die jaren hard werken, opkomen voor vrouwenrechten, mogen stemmen, scheiden… en als beloning was je op je 79ste het evenbeeld van een man?!

Een andere man – of was het ook een vrouw? – passeerde. Hij hijgde en hoestte. Een pruttelende machine met dringend behoefte aan onderhoud. Ze keek hem na. En opnieuw naar de etalage.

Onderhoud.

Ze had een aanpassing nodig. Was haar pensioen gestort? Ze kon best wat minder uitgeven komende maand. Ze droeg de handtas zoals ze ooit geleerd had. Chic. Zelfbewust. De deuren openden, de beveiliger glimlachte naar haar. Ze lachte schalks terug. Ha, dat kon ze nog steeds.

Zilveren pailletten zocht ze. Maat 42 moest lukken.

Vanaf nu zou niemand zich meer vergissen. Want in zilveren pailletten kon men zich niet vergissen. Onmogelijk.


 

18 juni 2019 Er was eens