Uit 't Copy van Clason

Dragen

Zijn dunne grijze haar waait alle kanten op. Zij draagt een sjaal over haar hoofd.

‘Geef nou.’ Hij zegt het niet overtuigd. Ze kijkt hem meewarig aan en schudt haar hoofd. ‘Ik doe het zelf.’ Hij kijkt naar haar. Ik denk een mix van ergernis en liefde te zien.

Ze loopt kordaat wat passen voor hem uit. Hij voelt nog even aan de sloten. Ja, de fietsen staan op slot. Ze wacht hem op en pakt zijn rechterhand.

‘Pas op hoor, het is steil.’

Ze luistert niet naar hem, sjort haar sjaal los met de toppen van haar vingers. Dat gaat moeizaam want de twee strandstoelen en tas glijden bijna van haar arm.

‘Kom, geef het nou aan mij.’ Hij zegt het krachtiger dan net. Opnieuw schudt ze nee. Haar haren schieten onder de sjaal vandaan. Een bos krullen met her en der grijze strengen.

Hij stopt, zijn linkerhand op haar wang. ‘Kom. Ik wil dat graag.’

Ze draait zich een kwartslag om en kijkt heel even naar de lange weg naar het zand. ‘Ok’, zucht ze. Ze geeft hem de stoelen die hij gretig van haar aanneemt. De tas krijgt hij niet.

Ze lopen verder terwijl zij de sjaal laat wapperen in de wind zoals kinderen dat doen met een vlieger.

‘Als ik hem loslaat, ren je er dan achteraan?’ Hij moet lachen, maar geeft geen antwoord.

‘Gentleman ben je toch.’ Het klinkt niet bozig, eigenlijk wel lief. Hij lacht opnieuw en ze rommelt zijn haar in de war, geholpen door de wind.

‘Misschien moet je mij over een paar jaar dragen.’ Hij laat haar hand los en omarmt haar. ‘Alsof je dat toe zou laten.’

Haar schaterlach klinkt over het strand. Hij glimlacht trots.

En hij en ik weten het: hoezo over een paar jaar?

Hij draagt haar op handen. Al jaren.

img_7718

 

28 september 2016 Er was eens

Taxi

Mijn lip trilt. Hij kijkt me heel even aan. ‘Waarnaartoe?’ Ik noem het adres en we rijden weg. ‘Was dat jouw baby?’ Ik vertrouw mijn stem niet, hum wat. ‘Nog heel klein hè?’ Ik hum weer. Hij rijdt heel rustig, maar ik ontspan niet. Mijn kleding knelt. Ik zit niet goed. Ik heb dikke ogen.

Ik voel me heel ongelukkig.

We rijden de tweede rotonde op en daar overspoelt het me. Tranen rollen over mijn wangen. Stille tranen. De man kijkt even opzij. Hij schrikt. Dat denk ik. Maar aan zijn stem is niets te horen. ‘Hee, wat is er? Wil je terug?’

Ik huil met diepe uithalen. Ja, ik wil terug. Naar het kind dat nog maar drie weken geleden mijn lijf verliet. Ik kan niet weg van dat kleine hoopje mens dat straks misschien wel eerder honger krijgt dan ik heb uitgerekend. En hoezo pas ik nog steeds niets en dacht ik echt dat ik nu wel weer werken kon? Ik wil helemaal niet presenteren. Ik wil helemaal niet bekeken worden. Ik wil alleen maar boven zijn buikje hangen en zijn geur opsnuiven.

De man luistert naar mijn waterval aan woorden. ‘Terug?’ vraagt hij enkel. Ik zucht diep. Nee, we gaan niet terug. Hij zucht ook en klinkt dan plots gedecideerd. ‘Hoe laat is dat opgeprikte gedoe voorbij? Dan zorg ik dat hier sta. Twee uur lijkt me meer dan zat. Ik wacht hier op je. Je hoeft niet naar de centrale te bellen. Loop zo eerst een toilet in, was je gezicht.’ Ik laat me pamperen als het kind dat ik achterliet. Zwaai zelfs naar hem vanachter het glas in de lift.

Twee uur later staat hij inderdaad zonder dat ik de centrale hoef te bellen voor de uitgang. ‘Hup, naar je baby’, zegt hij enkel. Op het dashboard staat een doos tissues. ‘Heb ik net bij mijn vrouw opgehaald’, zegt hij. ‘Jankende kraammoeders zijn mij wel bekend. Dus huil de hele tent maar bij elkaar.’

Ik snuit mijn neus, leun achterover en ontspan. Huilen hoeft nu niet meer.

 

 

26 september 2016 Er was eens

Ouwe man

Hij kokhalst.

Ze buigt zich naar voren. Haar ogen zijn dicht bij de zijne. ‘Adem in en uit door je neus. Ja, zo…je doet het goed.’

Hij kalmeert.

Zijn handen houdt hij voortdurend aan weerszijden van zijn lijf. De vingers zijn gespannen. Heel even trekt hij zijn shirt wat omhoog. Dan meteen weer zijn handen naast zijn bovenbenen. Ik zie een stukje van een blote bruine buik.

Een paar minuten later beginnen zijn voeten wederom rondjes te draaien. Zijn buik gaat sneller op en neer.

Ze heeft het meteen door. Opnieuw kalmeert ze hem tot zijn ademhaling normaal is. Tot zijn voeten ontspannen.

Nu zit hij rechtop en spoelt vol overgave zijn mond.

‘Half uurtje wachten met eten en drinken.’

Hij knikt. Ze kijkt vertederd naar hem. Het verplichte blauwe mondkapje verhult haar expressie aan geen kanten. Haar ogen lachen en stralen.

‘Ben na al die jaren nog steeds verliefd op je!’ zegt ze en trekt haar mondkapje naar beneden.

Hij rolt met z’n ogen. Zij grijnst. Prachtige tanden, uiteraard.

Bij de fiets zucht hij dramatisch. ‘Mama, ze weet toch wel dat ik negen ben? Ze moet echt zoeken naar een ouwe man.’ Hij stapt hoofdschuddend op.

We fietsen. Ze zit nog in zijn hoofd: ‘Zo’n man is wel zielig. Die moet elke dag wel tien keer zijn tanden poetsen, denk ik.’

Hij gruwelt. Kijkt me verontwaardigd aan omdat ik zo hard lach, en fietst van me weg.

‘Kijk mam, zonder handen.’

Ik fiets achter hem aan.

Ze is uit zijn hoofd.

 

5 september 2016 Er was eens

Ontkoppeld

Zijn benen bungelen. De kruk is te hoog voor hem terwijl hij zeker niet klein is. Als ze niet kijkt, duwt hij met het lepeltje van zijn koffie in de kaars. Het witte vet loopt als badwater over de rand. Hij houdt het tegen met zijn vinger. Heel even beweegt hij zijn schouders.

Ze draait zich om, wast glazen en praat wat met hem. Hij heeft met zijn linkervoet intussen de reling onder de bar gevonden om op te steunen. Op zijn schoot krabt hij het kaarsvet van zijn vinger. Uit haar zicht. Zijn been trilt. Zij knikt. Hij zegt wat terug. Dan draait zich weer met haar rug naar hem toe.

Meteen strekt hij zijn armen boven zijn hoofd uit. Buigt wat van links naar rechts. En verliest bijna zijn evenwicht door de draaiende zetel van de kruk. De verrassing is te zien op zijn gezicht wanneer hij een rondje draait. Heel even kijkt hij me aan. Dan zit hij weer recht.

Ze loopt nu achter de bar, hij kan met zijn zetel meedraaien met haar bewegingen. Hij draait lichtjes van links naar rechts, van rechts naar links. Zich afzettend met de handen tegen de bar. Ze zet een fles bier voor hem neer. Hij proost naar haar en drinkt. Ze glimlacht lief. Maar geen tijd heeft ze voor hem. Iemand anders vraagt haar aandacht.

Hij staat op. Zijn lijf lijkt te kriebelen van ingehouden uitbundigheid. Het is aanstekelijk, ook ik krijg nu een onweerstaanbare drang om heen en weer te hollen. Hij drinkt zijn bier staand. De kruk laat hij als een volleerd pottenbakker almaar rondjes draaien. Dan zucht hij. Slaat zijn hand op het zitvlak om het draaien te stoppen. Kijkt naar haar. Dan op zijn horloge. Vraagt iets.

Ze komt naar hem toe en geeft hem een plat ding. Als hij zich omdraait zie ik wat zijn onrust veroorzaakte. Een telefoon. Ze laadde het toestel voor hem op. Hij was zowaar een tijdje ontkoppeld en wist zich geen raad met zichzelf.

Hij bedankt, buigt zich voorover en toetst codes in. Zijn schouders ontspannen. Eindelijk. Hij is online.

 

2 september 2016 Er was eens

Stadspoort

Met z’n vieren bewegen ze zich als katachtigen. Poema’s, luipaarden, tijgers. Eender wat kan sluipen en atletisch bewegen beschrijft deze vier jongens. Hun spieren houden ze in bedwang. Laag op de grond kunnen ze niet in hun spel, maar de knieën zijn gebogen. Hun armen bewegen soepel met de lijven mee.

Rondom deze vier lopen mensen. Bezoekers met rugzakken, petjes en zonnebril. Ze kijken omhoog naar dit stukje stad waar ze allemaal een camera voor zullen heffen. Ze zien niet wat dicht bij hen gebeurt.

En die jongens weten dat. Ze bewegen zich bijna onzichtbaar tussen de toeristen door. Het is te zien dat ze dit vaker doen. De langste, die met de meest wilde haren en een grote grijns van oor tot oor, geeft de bal een zacht tikje. Een vrouw springt met een gilletje over de bal heen, zijn opzet is mislukt.

Heel even zijn ze opgefokt en springen wat op en neer. Dan gaan ze opnieuw door de knieën. Overtikken, een mooie pass naar de ander, steeds sneller, en opnieuw rolt de bal richting een man die aan komt lopen.

Gelukt. Een heuse panna. High fives. Gejuich. De toerist kijkt verstoord achter zich. Dat zijn benen als een poort fungeerden, heeft hij totaal gemist.

De jongens zijn trots. Een van hen steekt twee vingers in de lucht. Een prachtig en mogelijk onbedoeld v-teken op deze historische plek.

Dan nemen ze hun poses weer aan en zoeken naar nieuwe onwetende tegenspelers. Naar de o-benen, de lange benen, de hooggehakte. Nog duizenden toeristen komen vandaag voorbij om naar de Brandenburger Tor te kijken. De stadspoort is de grootste afleiding op dit verharde voetbalveld.

Een mooiere plek voor een spel zonder grenzen kan ik niet verzinnen.

 

FullSizeRender

 

 

16 augustus 2016 Er was eens

Alone of along

‘Wel komen hè!’

Ik knik.

‘Niet vergeten hè.’

Ik beloof hem dat ik geen vergiet zal zijn. Ik kom kijken naar de Swing en Sing Along.

Hij schrikt. ‘Alone?! Ik ga echt niet in m’n eentje staan dansen en zingen.’ De paniek breekt uit om een klein taalkundig misverstand.

‘Niet een ‘sing alone’ een sing along’ dat betekent ‘zing mee’’, leg ik lachend uit.

Hij kijkt me wantrouwend aan. ‘Jij en je grapjes altijd.’

Soms heb je iets aan jezelf te danken.

Even later strekt een deinende zee van vlechtjes, lange losse haren, grote kuiven, krullenbollen en gellokken zich voor me uit. En daar ergens, tussen al die kleuren en beweging, wacht iemand op mijn hand die naar hem zwaait.

Ik zie buurjongens, vriendjes en vriendinnetjes van hem, kinderen van anderen. Het door mij ooit gedragen exemplaar; ik kan hem niet ontdekken.

Dus kijk ik samen met zijn zus naar de ritmische warboel. We zwaaien wat in de richting van daar waar hij zou kunnen zijn. En hopen dat hij ons wel ziet.

De muziek klinkt almaar harder, kinderen springen, dansen en juichen. Hun enthousiasme over de aankomende zes weken is aanstekelijk. Verlossing, juichen ze van top tot teen.

Naast me gaapt de puber. Dit uitstapje van de bank waar ze al een weekje ligt, is een enorme omschakeling. Net wanneer ik wil voorstellen naar huis te gaan, beginnen de kleuters enthousiast aan het immer onveranderde liedje Tsjoe Tsjoe Wah.

Heel even lichten haar ogen op.

Ik omarm haar middel. Ze legt haar hoofd op mijn schouder. Dan duw ik haar lichtjes met mijn heup naar links. ‘Kom, we zongen het pas 1000 keer. Nog een keertje dan, voor jou.’ Ze rolt haar ogen. ‘Mam..’, zegt ze, maar lacht wel zachtjes.

Ik lach ook en denk aan mijn zomers als kind. Die duurden langer dan lang.

En nu? Nu vliegt de tijd.

Dus zing ik zachtjes mee met het lied uit ons gezamenlijk verleden.

Want soms gaan dingen gewoon te snel. Veel te snel.

 

IMG_6421

 

14 juli 2016 Er was eens

Kaas

‘Het vlees is zo mals dat het in je mond smelt…’

Ze leunt achterover.

‘Maar dat is niet de enige reden waarom ik per se een tussenstop wil maken. Het zijn namelijk kunststukjes op je bord. Een voor een.…..’ Ze kijkt me aan, zoekt woorden. ‘Ze zijn echt onweerstaanbaar in smaak, geur en kleur.’ Ze knikt om haar beschrijving fysiek te benadrukken.

‘De tomaten komen uit de oven, de avocado is gemarineerd. Wil je spek.. krijg je spek…. Er is een mangosaus, een chilisaus…’ Ze staart voor zich uit. ‘Oh… en vertelde ik al over de kaas? Nee… dat vertelde ik niet. Gesmolten kaas. Jus van het vlees erbij.’

Ze zucht en sluit even haar ogen. Ik denk dat de helft van ons nu even moet slikken en net als zij verlangt.

‘Eh kaas?’ vraagt hij. ‘Kaas moet je niet doen he.. eiwitten, die zijn goed. Maar kaas. Doe maar niet.’

Ze opent haar ogen, haar blik richt zich ijskoud op hem. ‘Wat zeg je?’

Hij zet een stap naar achter. ‘Nou.. een hamburger is ok voor een keertje, maar kaas.. nee, dat moet je niet doen.’

Ze staat op, trekt haar pezige schouders naar achter en kijkt hem minzaam aan. Dan wijst ze naar haar lijf waar naar mijn idee al jaren geen kaas, laat staan een hamburger, aan plakken bleef. ‘Ik train vandaag voor de kaas in mijn vakantie…’ Ze slist een beetje. Hij buigt zijn hoofd. ‘En erna, train ik voor de next time.’

Hij pakt mompelend zijn bidon en loopt bijna onopvallend naar de balie. Ze kijkt hem compleet weg.

‘Geen kaas….’ Ze rolt haar ogen, draait haar lange haar in een knot, legt de barbell op haar schouders en buigt haar knieën.

Als ik even later vertrek, zie ik haar nog zwoegen.

Want kaas zal ze eten. En niet uit het vuistje.

12 juli 2016 Er was eens

Woorddronken

Het is zo warm dat dansen niets meer te maken heeft met zweven maar meer met overleven tussen de zweetdruppels en bijbehorende geuren van een ander. Ik verlaat de dansvloer en daal af naar de kelder. Hier zitten de niet-dansers. De praters. De drinkers. De tijdelijke filosofen die zich bevrijd voelen na dat ene glas bier.

De muziek klinkt op deze plek dof en mensen zijn gehuld in rookwolken van goedkope shag en sigaren.

Ik zoek.

In de hoek zit een stel tegen elkaar aan. Zwijgend staren ze voor zich uit. Voor praten lijkt het te laat.

Aan de tafels in het midden van deze ruimte zie ik de ‘meter bier drinkers’. Zij maken geluiden die soms oorverdovend zijn. Zoals een langzaam op gang komende lachsalvo, met een groteske climax.

En dan is er nog de man met de baard. Hij heeft een plek tegen de muur. Voor hem ligt een schrift. Af en toe schrijft hij iets. Ik ken hem. Iedereen hier weet wie hij is. Hij heeft een monotone stem, verpakt zijn droefheid in grappen. Hij laat zich graag omringen terwijl hij schept. Dit keer geen adoratie van jonge vrouwen. Hij zit alleen. De bekende kunstenaar uit Ede drinkt, kijkt en schrijft.

Maar er is hier geen bekende, dus laat ik me weer lokken door de muziek. Ik passeer hem. Hij richting de bar. Ik naar de trap. Op zijn tafel liggen vrijwel onbeschreven pagina’s. De letters in zijn hoofd zijn ongeordend. Ik weet: hij is nog niet woorddronken.

Ik haast me de trap op, richting dansvloer waar ik luidruchtig word begroet alsof ik al uren vermist werd. En terwijl zij hard meezingen, de muziek me meevoert, weet ik dat op hetzelfde moment in de kelder een nieuw gedicht ontstaat. Of een liedje. Of het begin van een boek.

En zo zijn we zomaar getuige van een lettergeboorte. Hoe mooi is dat.

 

 

30 juni 2016 Er was eens

Naar de sterren

Zwijgend gaan we allemaal dezelfde kant op. Lopend. Fietsend. We staren in het niets. Of eigenlijk naar de muur recht voor ons. En als we dat beu zijn, kijken we naar het scherm van een televisie. Ook controleren we de rode cijfers. Nog zoveel minuten. Nog zoveel meters.

Op dit moment wandel ik naar de sterren. Dat staat onder mijn voeten: Star Trac. Dat moet je niet te lang doen, naar beneden kijken, dan donder je van die band af. Ervaring maakt wijzer.

Net zoals ik weet dat sporten mijn hoofd leeg maakt. Als ik dans is dat zo. Krachttraining, cardio op deze apparaten, zij hebben dat effect niet. Mijn gedachten gutsen over de randen. Ik zou willen vragen waar de vrouw naast me aan denkt. Maar zij rent. Met verbeten gezicht stampen haar voeten een stuk sneller naar een hemellichaam dan ik.

Een lichaam zoals we tegenover ons zien, denk ik. Want de hele muur draagt een foto van een atletische vrouw. Ik vind het wel een fijn beeld, want ik wil er niet zo uit komen te zien. Ik kan niet voor de anderen spreken die hier zwoegen. Voor mij relativeert deze foto alles.

Een man voor me stapt van de fiets die nooit ergens heen zal gaan. De fiets. De man wellicht wel. Kilometers rijdt deze op een en dezelfde plek. Er bestaan mindere nachtmerries. Ook naast mij is het rennen naar nergens voorbij.

Een piep. Ik verlaat de weg die me een paar mijl richting het heelal bracht. Eerst wankel ik ietwat. Alsof ik dagen op een schip doorbracht, de vaste grond onder mijn voeten voel, terwijl mijn hersenen nog immer denken dat zij me in evenwicht moeten houden.

Ik weet nu dat je heel even wacht met lopen totdat het dronkemansloopje is gezakt. Ook die beginnersfout maak ik maar één keer.

Terwijl de fietsen, loopbanden en crosstrainers door nieuwe mensen worden aangezwengeld, wandel ik vooruit.

Nu echt ergens naartoe. Want sterren zijn te ver weg. Dat weet iedereen.

 

 

14 juni 2016 Er was eens

I love mama

Hij zet moeizaam zijn voeten voor elkaar. Laat zich dan met bijna gestrekte benen achterover vallen op de bank tegenover me en drinkt vol overgave uit zijn bidon. De ander, een kop kleiner, is nog energiek en springt over de leuning om naast hem te zitten. Vrienden zijn het. Dat zie je aan hun houding. Ze zitten schijnbaar zwijgend naast elkaar, maar praten zonder woorden.

Mijn telefoon gaat, de jongste, dat hij honger heeft, waar ik ben, waarom ik niet thuis ben en ja, hij is zijn sleutel vergeten. Oh ja, had ik wel gezegd dat hij even alleen was met de lunch, maar kom nou maar naar huis mama. Ik hang op en maak aanstalten te vertrekken.

‘Laat me raden’, zegt een van de jonge mannen. ‘Dat was je zoon.’ Ik knik. ‘We blijven allemaal mamakindjes’, zegt hij tevreden. ‘Ook als we achter in de twintig zijn.’ Zijn vriend komt met moeite overeind. ‘He man, spreek voor jezelf man!’ Hij probeert zijn pijn te maskeren en strompelt bijna ritmisch naar de kraan om zijn bidon te vullen. ‘Ha! Jij ook man! Jij ook. Jij hebt onder al die tattoos van jou ergens een hartje verstopt met ‘I love mama!’ geef maar toe!’ De jongen met de tattoos kijkt betrapt, herstelt zich dan en zegt: ‘Wat klets jij kill…kom ga mee, we gaan.’ Zijn kleinere vriend staat op, hikt nog wat na van het lachen, grijnst dan naar mij en pakt zijn spullen.

Terwijl hij voor zijn vriend uitloopt, lachend en plagend, zie ik de tattoojongen zijn pols draaien en zacht een afbeelding strelen. Ik glimlach. Ik kan me geen betere plek bedenken voor zijn mama. Een soort vinger aan de pols. Forever and ever.

 

 

7 juni 2016 Er was eens