Uit 't Copy van Clason

De föhn

Ze heeft grijze krullen met roze uiteinden. Een neuspiercing. En we praten boven het geluid van de föhn uit.

‘Ik denk dat ik nu al weet wat liefde is’, zegt ze, ‘vind je dat raar? Ik ben pas 18, maar ik weet het echt.’ Ik vind het niet raar. Ze blaast warme lucht in mijn oren, ik kan haar niet goed verstaan, maar zie haar lippen bewegen. Ze zijn zilver. Deze jonge vrouw versiert zichzelf met zoveel eigenliefde dat ik het zeker weet. Zij weet wat liefde is.

Ze praat. Ik versta haar nog steeds niet, maar wil haar niet onderbreken. Soms is praten zonder gehoord te worden voldoende als je gezien wordt. Ze lacht naar me in de spiegel. ‘Je verstaat er niets van hė!’ Ik moet ook lachen en antwoord haar zonder geluid. Ze haalt ontspannen haar schouders op.

De föhn is nu stil. ‘Ik wil naar hem toe, bij hem zijn. Maar wel met een plan’, vervolgt ze het verhaal, ik kan de hiaten zelf wat invullen. ‘Want misschien is dit liefde voor deze tijd. En niet voor later.’ ‘Dat weet je nooit’, zeg ik aarzelend. Ze knikt.

Ze houdt de spiegel achter mijn hoofd zodat ik kan zien hoe mijn haar van achteren zit. In deze geboortestad voelt het als een achteruitkijkspiegel naar mijn jongere ik. Het zou me niets verbazen als ik haar er plots in zie verschijnen.

Maar ze legt een hand op mijn schouder en we kijken elkaar via de spiegel die voor me hangt in de ogen. ‘Goed?’ vraagt ze. Ik knik. Zo is het goed.

 

15 april 2018 Er was eens

Door het oog van de naald

Ik voel het meteen als ik door de klapdeuren kom: hier is iets gebeurd. De mensen aan de bar praten opgewonden met grote armbewegingen. De barjongen kan er nauwelijks bovenuit komen. Hij heft zijn handen. Heel zijn houding toont dat hij er niets maar dan ook niets aan kan doen.

Naast de bar staat een ander groepje. Ze staan rond de gebaksvitrine die als een eiland midden in de ruime is geplaatst. Een man, duidelijk een monteur, ligt naast de vitrine op de grond. Hij rommelt met kabels.

‘De stroom is er toch wel af?’ grapt een van de omstanders. De anderen lachen. ‘Hij heb toch al weinig haar, dat maakt ‘m niets uit!’ lacht een grote man. Een vrouw loopt van de bar naar het groepje en buigt zich over de monteur. ‘Jan, schiet je effe op. Ik wil graag nog een bakkie voordat ik met de hond ga wandelen.’ Jan vloekt als antwoord. Ze zucht luid. ‘Moet ook al me appelpunt missen, hè.’ Er wordt instemmend gemompeld. Ook zij wachten op hun dagelijkse ochtendritueel.

De barman, even met rust gelaten, ziet me nu. ‘Goed geslapen?’ Ik knik. ‘Slaap je hierboven?’ vraagt de vrouw van zo-even. Ze heeft zich razendsnel omgedraaid. ‘Ja? Dan ben je door het oog van de naald gekropen!’ Ze komt bij me staan. ‘Er was bijna brand, schat. De gebaksvitrine stond vanmorgen te smeulen! De kabels, doorgefikt. En jij maar hierboven lekker snurken!’ Ze knikt voldaan als ze mijn gezichtsuitdrukking ziet. ‘Ja, da’s schrikken hè!’

Ik kijk naar de barjongen die verontschuldigend zijn schouders ophaalt. ‘Oh’, antwoord ik. Iets anders komt er niet in me op. ‘Ik ontdekte de brand. Nou ja, me hond rook het.‘ Ik kijk naar de slaperige teckel aan haar voeten. ‘Er was geen brand, Ans’, zegt de barjongen zacht. Ze negeert hem.

Een krakerige klik en de lampen van de vitrine springen aan. ‘Hij doet het weer’, bast Jan, hij veegt zijn handen aan een theedoek af.  De mensen keren terug naar hun plek.

Het gevaar is geweken.

Eindelijk koffie.

5 april 2018 Er was eens

Voor haar en haar en mezelf

Ze vocht als een tijger. Als een leeuw. Ze streed. Ze ging door het vuur. Ze verzette zich met vrouw en macht. Ze liet zich er niet onder krijgen. Ze accepteerde niet, ze ging ertegenin. Ze ijverde, ze kampte. Ze worstelde. Wedijverde.

En toen was het genoeg.

Ze zette niet door. Ze verzette zich niet. Ze ging liggen, ze rolde zich op. Ze dacht: Goed. Dan is het maar zo.

Confetti viel, want de zon brak door. Ze ademde diep in en besefte dat ze won.

Van het moeten. Van het vechten.

En dat allemaal in de laatste minuut.

Net op tijd.

 

3 april 2018 Er was eens

Bitterballen

‘Hoe groot is een kleine portie?’ vraag ik. De jongen kijkt net iets boven mijn haargrens. Iemand aankijken is soms moeilijk. ‘6 stuks, mevrouw.’ Ik twijfel niet meer. Hij noteert de bestelling.

Een tafel verder schuift een vrouw haar stoel wat van de tafel af. Haar tafelgenoot belt met iemand. Zijn zonnebril weerspiegelt de blauwe lucht. Ze schuift nog verder weg.

Tegenover me zitten twee meisjes. Ze giechelen en maken selfies. Aan hun voeten ligt een golden retriever, zijn poten zijn zanderig, evenals zijn blonde vacht.

Samen zijn we de enige klandizie van deze strandtent. Oh en de oudere dame, iets verderop. Ze leest en vecht met de zeewind die haar bladzijden almaar voor haar wil omslaan.

‘De bitterballen.’ De jongen van zo-even zet het schaaltje voor me op tafel. ‘Sorry, de kleinste portie is 10 stuks.’ Voor ik iets kan zeggen, loopt hij weg.

10 bitterballen, voor mij alleen. De vrouw, nog steeds weggeschoven van de man, glimlacht naar me. ‘Ze zijn lekker hoor!’ zegt ze aanmoedigend en wijst naar de lege schaal op haar eigen tafel. ‘Wil je er nog een?’ vraag ik en houd haar het schaaltje voor. Ze twijfelt geen moment.

9 ballen. Dat gaat de goede kant op. De telefonerende man slaat af maar de meisjes niet. Nu nog de dame.

Ze kijkt me verstoord aan als ik voor haar sta. ‘Wilt u een bitterbal, mevrouw?’ vraag ik. Ze lijkt nauwelijks verrast en kiest een exemplaar. Ik groet en draai me om.

‘Serveerster! Wacht eens even!’ De dame wenkt me terug en ik hoor de meisjes lachen. ‘Ik wil mijn ballen mét mosterd!’ zegt ze luid. En dan zachter: ‘Je was zo snel weg. Je doet dit zeker nog niet zo lang.’ Ze duwt de bitterbal vrijwel helemaal in de mosterd. Ik aarzel, maar ga dan terug naar mijn plek.

6 bitterballen. Als ik er zelf een eet, zie ik de oude dame naar me kijken. Ze schudt haar hoofd. De serveerster aan de bitterballen, zie je haar denken. En wijn! Dat komt nooit goed.

Ik proost stiekem op haar. Ze moest eens weten.

 

 

 

30 maart 2018 Er was eens

De schatkamer

In deze schatkamer is het goud vermomd als papier. Het is omhuld door een kaft. Het staat op een rij en ligt opgestapeld als baren van letters.

Er zijn ook uitgescheurde flarden goud, voor knippen is de schatbewaarder vaak te ongeduldig. Dit bladgoud wordt in de map Inspiratie bewaard.

De map kookt over als een borrelende pan soep.

Achter slot en wachtwoord worden de zelfgemaakte woorden bewaard. Noem het de kluis van de kamer.  En toch.

Toch zal een dief de schatten niet herkennen. Ze blinken niet, maar knisperen of zwijgen in veelzeggende stilte. De dief zal zijn schouders ophalen en zijn rooftocht elders voortzetten.

En zo ben ik schatbewaarder en rover ineen. Zittend tussen de letters en woorden van anderen. En van mezelf.

Mocht ik op deze plek van de tijd verliezen, dan vind je me bedolven onder de stapels. Bedekt door grammen bladzijden. Van boeken. Tijdschriften. Prints.

‘Wat een hoop zooi’, zullen mensen denken. ‘Wat een schrijnende dood.’ Zij kunnen immers niet weten dat er niets fijners moet zijn dan te stikken onder een flinterdun laagje goud.

Goud, vermomd als papier.

 

 

28 maart 2018 Er was eens

Opa

Dit weekend sprak ik mijn opa. De man in het fotolijstje op het kastje, links in de hoek van de kamer. De man die ik helaas nooit mocht ontmoeten, omdat hij voor mijn geboorte stierf.

Toch sprak ik hem afgelopen zaterdag.

Ik luisterde ademloos naar zijn verhalen die hij letter voor letter op papier drukte. Ik zag hem voor me, voortdurend sigaren rokend, gebogen over zijn schrijfmachine. Ik zag hem nadenken voor hij de volgende zin typte. Heel misschien twijfelde hij of het nieuwtje ook na zes weken nog relevant was. Of hij wel kon zeggen hoe moeilijk dingen waren. Dan knikte hij, dit wilde hij vertellen, en vlogen zijn vingers over de toetsen.

Ik voelde dat hij boos was. Moe. Of juist uitermate content was met een feestmaal. Hij vertelde met humor. Met zelfkritiek. Met liefde naar zijn kinderen die hij al zoveel jaren moest missen.

Zijn brieven, want het zijn brieven, tonen mijn voorouder in alle kleuren van zijn gemoedsrust. In een openheid waarvan ik in alle arrogantie dacht dat alleen de latere generatie dat kon.

Dit weekend sprak ik mijn opa. En voel ik een verbintenis waarvan ik niet wist dat die er was. Een connectie zonder dat we elkaar ooit hebben gekend. Ik voel een stukje in mij voortleven. Herken bepaalde beschrijvingen in mijn vader. In mijn zusje. In de kinderen die zij en ik kregen.

Dit weekend sprak ik mijn opa. Schrijven maakt onsterfelijk, is de uitspraak. Sinds dit weekend weet ik dat dat waar is.

En hoe.

 

 

 

 

22 maart 2018 Er was eens

Smeren. Altijd smeren

‘Aan het eind van de rit ben ik wijzer dan toen ik net geboren was.’ Ze zwijgt en zoekt iets in haar handtas. Dat lukt niet, dus haalt ze er dingen uit om beter te kunnen vinden.

Een enkele handschoen. Een veter. Een doosje pepermuntjes. Een strippenkaart van heel lang geleden. Ze vouwt de kaart in haar handen, om en om.

‘Zo glad en zacht als een baby. Zo onwetend. Zo ben ik niet meer. Hoewel mijn huid nog steeds onnavolgbaar is. Smeren, kind, smeren.’ Ze legt de strippenkaart op tafel en houdt de tas in het licht. ‘Verdomde Bermudadriehoek’, mompelt ze, ze schuift de inhoud van de tas van de een naar de andere kant.

‘Wijzer zijn dan de onnozele baby die ik was. Dát wil ik zijn als ik mijn laatste minuut leef. Dus moet ik niet in mijn eigen rondje blijven hangen. Wat leer je daar nou? Aha!’ Ze haalt triomfantelijk een spiegeltje tevoorschijn. ‘Oh en ik wil ook knapper zijn dan dat verfrommelde kind uit de buik van mijn ma!’ Ze lacht als een tiener en stift haar lippen, de spiegel beslaat van haar uitademing.

‘En gelukkig kan ik elke dag nog wijzer worden.’ Ze stopt de spullen terug in de tas. ‘Daar heb ik jou voor nodig, kind. Want godnondeju. De jeugd hè, dat is pas leerzaam!’ Ze kijkt in de kinderwagen. Het kind kijkt ernstig terug. ‘Dus luister wat je oma zegt: leren tot je erbij neervalt. En smeren. Altijd smeren.’

Ze streelt de wang van haar kleinkind. De levensles is voorbij. Of net begonnen. Dat kan ook.

19 maart 2018 Er was eens

Filter

Een pasfoto is de werkelijkheid. Een selfie niet. Ik weet dat omdat ik op dit moment naar een foto kijk die me de totale waanzin toont van de filters. De pasfotomaker kijkt me onbewogen aan als ik durf ietwat te mopperen. Perfectie heeft hij niet op het oog. Een zichtbaar oor. Geen tanden. En in het midden. Dat is wat hij wil, ik heb niets te eisen.

Ik verdenk hem van plezier hebben. Omdat hij ons, de selfiegemeenschap, met de werkelijkheid om de, ja letterlijke, oren kan slaan. Wat nou filtertje, wat nou je beste kant? Haar achter je oren. Een strakke blik. Geen glimlach!

Ik haal mijn schouders op. Ok, het moet maar zo. Straks word ik toch verkleind en dat scheelt. Mocht ik aangehouden worden en gecontroleerd, zal er een loep aan de pas moeten komen. ‘Bent u dit?’ zou ik willen dat ze vragen. Met de klemtoon op het woordje dit. Ze moeten er verbaasd bij kijken. Dat lijkt me wel zo aangenaam.

Maar dat zal niet gebeuren. Een pasfoto is de werkelijkheid immers. Een selfie niet.

‘14 euro’, sist de fotograaf. De realiteit kost centen. Ook zonder filter.

Moet je nagaan.

13 maart 2018 Er was eens

McDrive

Jong moeder zijn. Dat had ik achteraf misschien beter kunnen doen, denk ik als ik met zweetdruppels van de stress – nee, ik noem het niet een opvlieger – tegenover de jongste sta te tieren. Ik voel ergens wel dat wat ik roep niet het meest geweldige voorbeeld is. Maar ik ben de ballon die net per ongeluk werd losgelaten en nu door de kamer schiet.

Zo roep ik vol overgave dat ik op kamers ga. Wat me, vreemd genoeg, erg prettig lijkt.

Hij kijkt me verbaasd aan. ‘Op kamers? Echt? Jij?’ Ik knik en wuif mezelf wat koelte toe met de theedoek die ik zo-even nog om zijn oren wilde zwiepen.

‘Ja, dat kan best hoor.’ Hij haalt zijn schouders wat vertwijfeld op. ‘Oookeee…’ Zelfs deze dubieuze, langgerekte bevestiging voelt als een rode lap. Ik ril nu van de kou en ik zou zo een potje kunnen janken.

Maar ik ben de moeder hier. De volwassene. Dus ik veeg wat denkbeeldige kruimels van het aanrecht. Mompel iets onverstaanbaars en draai mijn rug naar de 11-jarige.

Hij is even stil.

Dan voel ik zijn armen om mijn middel. ‘Je mag wel op mijn kamer wonen’, zegt hij. Ik kan even niets zeggen, maar houd zijn handen stevig vast.

‘En mam? Als ik mijn rijbewijs heb, neem ik je mee naar de McDrive. Cool hè.’

Ik knik. Supercool.

 

BewarenBewaren

28 februari 2018 Er was eens

Achterop

Hoelang is het geleden dat ik achter op een bagagerek sprong? Ik kan het me niet herinneren. Mijn benen aan de linkerkant van de fiets, mijn haren om mijn oren.

Nee, ik weet het niet meer.

Mijn fietsster fietste al een tijdje niet meer. Ze slingert nu en dan. Achter ons roept de ander dat ik beter op haar voorrek kan meeliften. Maar er is geen tijd voor een wissel.

Want we fietsen verder, passeren plekken waar we ooit samen waren. We lachen om oude verhalen die als blije koeien uit de sloot worden getakeld.

Daar komen we wonderbaarlijk altijd weer bij uit, bij oude verhalen. Na alle nieuwtjes, goed en slecht, dalen we langzaam af naar vroeger. Toen en toen. En weet je nog.

Zelfs als je zo ver uit elkaar woont, tref je elkaar elke keer opnieuw op die vertrouwde plek in een gedeeld geheugen.

Ze rijdt de busbaan op, racet, studenten roepen naar ons: ‘Voorzichtig!’ We lachen, is het zo lang geleden dat wij 19 waren? Waarom voelt dat niet zo?

De buschauffeur heeft maling aan ons geroep en vertrekt. Ik mis de bus.

Ze springt van de fiets. ‘Ik breng je niet naar huis!’ Het is een twijfelend statement, bovendien staat de volgende bus al te wachten. Ik omhels de beide vrouwen.

Als ik in de bus zit, blazen we nog kussen door de lucht. Dan fietsen ze weg.

Nee, we zijn geen 19 meer. We weten het verdomde goed. Maar waarom voelt het dan niet zo?

BewarenBewaren

BewarenBewaren

19 februari 2018 Er was eens