Uit 't Copy van Clason

De zeemeerman

Ik zie zijn schaduw eerder dan de man zelf. Ik kijk op en zie een rug, benen.

Het is een man op leeftijd. Een bruine huid, gerimpeld. Maar door deze laag zie je zijn spieren. Zijn witte haar is het enige dat licht en fragiel lijkt.

De wind speelt er vrijpostig mee.

De wandeling van de man stopt in de branding, daar waar mijn kind speelt. Heel even kijkt de jongen naar de oude man die op een kleine afstand naast zijn zandkasteel is gestopt.

Kaarsrecht staat de wandelaar, zijn hand boven zijn ogen tegen de weerkaatsing van het zonlicht. Dan kraakt hij zijn nekwerkvels door zijn hoofd eerst op zijn linker- en dan op zijn rechterschouder te laten rusten.

Hij strekt zijn armen uit, bolt zijn rug en raakt als een jonge atleet zijn tenen aan.

Het kind zwaait naar mij. Ik zwaai terug.

De man is klaar met de fysieke voorbereiding en wandelt in één rechte lijn, rustig, zoals hij ook over het strand liep, het water in. Steeds verder, steeds dieper. Tot ik alleen nog maar zijn armen zie.

De wandelaar wordt een zwemmer en verdwijnt met rustige slagen in de zee.

Hij is geen toerist zoals ik, dat durf ik zomaar te beweren. Toch kijk ik even om me heen. Wie hoort bij hem? Waar zijn zijn spullen? Zag de strandwacht verderop dat hij aan het zwemmen is?

Het kind duikt naast me in het zand.

‘Zag je die meneer?’ vraag ik hem.

Hij kijkt achter zich.

‘Die zwemmende meneer?’ leg ik uit.

‘Oh’, zegt hij terwijl hij het zand als een zandloper uit zijn vuist laat lopen.

‘Dat, mama, was geen meneer’, antwoordt hij.  ‘Dat was nou een echte zeemeerman.’

Hij knikt er tevreden bij.

Ik kijk naar de zwemmende stip aan de horizon. Verder en verder weg. Ik blijf turen, hem in de gaten houden. Net zolang tot hij weer aan land komt.

Want zelfs zeemeermannen moeten soms weer naar huis.

Met of zonder hulp.

 

25 maart 2020 Er was eens

Omhelzing op afstand 2

Ervaring heeft niets te maken met het kunnen thuis werken of niet.

Dat geldt tenminste voor mij. Een ervaren thuiswerker.

Ik hoef niet eens een bureau leeg te ruimen of te werken met laptop op schoot. Ik hoef geen plek op te eisen of te delen met wie dan ook.

Ik heb een eigen werkkamer.

Een kamer met een roze muur. Een zwarte kast vol boeken. Twee tafels. Een laptop. En een ergonomische bureaustoel.

Natuurlijk, ook in de achttien jaren als zelfstandige waren er wel vaker dingen die onverwachts veel meer de aandacht vroegen dan een websitetekst of bladformule. Veelal zaken die te maken hadden met het hart.

Maar nu dit. Dit is compleet anders.

De stilte buiten waardoor je plots zoveel vogels hoort. De hemel zonder vliegtuigstrepen. Nauwelijks verkeer in de straat. Geen rumoerige jongeren die net terugkomen van het stappen. Je best doen om op tijd een stap naar achteren te zetten, als een ander te dicht nadert. Voldoen aan dagelijkse beweging om andere gezondheidsperikelen te voorkomen.

Afijn. Het is een ander werkdecor.

En ondanks ik een eigen plek heb, ben ik het liefste zo dicht als in sociale afstand kan bij hen die ik liefheb. Omdat anderen die ik ook zo graag bij me wil hebben, zo ver weg zijn.

Mijn kamer voelt eenzaam. Te stil. Te onbenullig. Ja, ik heb werk. Afleiding. Mooie gesprekken.

Maar echt druk ben ik met iets anders.

Ik ben steeds aan het omhelzen op afstand.

Jou. En jou. En jou natuurlijk ook.

19 maart 2020 Er was eens

Omhelzing op afstand

Ik vergat haar verjaardag.
Zomaar.
Ik staar in shock naar de datum. Drie dagen te laat.
Drie hele dagen!
‘Ons gebouw is coronavrij’, las ik deze ochtend in een advertentie.

Mijn hoofd is allerminst vrij. Daar past niet eens het herinneren van een verjaardag bij. Tot de rand toe gevuld met zorgen.

Maar ik vergat háár verjaardag.
Een van de liefste.
Ik maak het goed, beloofde ik.
Ze zei: stop hiermee, wij zijn vriendinnen, daar heb je geen verjaardagen voor nodig. Love you.

Lieve A.

Ik van jou. Gefeliciteerd met je verjaardag.
Dat we maar lang elkaar zo liefhebben als de afgelopen 28 jaar.

Geheel coronavrij.

Omhels je op afstand.

18 maart 2020 Er was eens

Gisteren en vandaag

Wachten …

Op de bus.

Op de dokter.

Op de tandarts.

In een rij voor de kassa.

In een rij voor een attractie.

In een rij.

Op de vier wachtenden voor me.

Op de bezorgdienst die er tussen 8:00 en 12:00 zou zijn.

Op het kind dat nog even….

Tot de brug weer sluit.

Tot de trein voorbij is.

Op de uitslag van het onderzoek.

Op de laatste correcties.

Op het definitieve ontwerp.

Op het verlossende woord.

Op groen licht.

Minuten waarin de tijd kroop. Eindeloos en traag.

En tijdens al dat wachten, in al die seconden, vloog ergens anders de tijd in sneltreinvaart voorbij.

Werd hij gisteren geboren en vandaag 13 jaar oud.

Zomaar.


 

 

 

 

 

 

4 februari 2020 Er was eens

Kleurinvestering

Zwart.

Daar begon het in 1971 mee. Daarna witblond, blond, donkerblond, bruin, rood, bijna zwart, kastanjebruin, chocoladebruin.

En nu ben ik de kleur bijster.

Het is tijd voor een functioneringsgesprek met C., al zes jaar mijn kapper.

C. heeft roze haar. Of blauw. Soms zilver. Maar vandaag is haar haar fuchsiaroze. Ik ben dol op C. Ze tovert mijn grijs weg.

Dat trucje wordt steeds moeizamer vol te houden. Ze staat achter me en kijkt via de spiegel in mijn ogen.

‘Je moet of elke drie weken kleuren. Of je moet blond.’

‘Moet, moet…’ begin ik mopperend.

C.  is onverbiddelijk. ‘Je gaat failliet.’

Klopt.

‘Je haar valt van je hoofd.’

Klopt ook.

‘Je bent 48, bijna 49, en dan zijn veel mensen grijs.’

Ja, ja.

‘En ik weet dat je blond niet leuk vindt, maar eventueel gooien we er nog es wat lowlights door.’

Ik aarzel.

‘Je gaat failliet en het wordt tijd dat je in dingen investeert die het waard zijn om in te investeren.’

C. moet haast wel een kind van mijn boekhouder zijn.

Blonder maakt ze me. Eindveertigblond.

En zo verander ik stap voor stap weer in de peuter die ik ooit was.

Inclusief een nee-fase. Maar goed, dat is een ander kenmerk van deze leeftijd.

3 februari 2020 Er was eens

#nospon

Zodra ik over de drempel ben, begin ik aan haar arm te trekken. Ik wijs naar de schappen op links. De stapels op rechts. Ik jubel: ‘Oh het is hier zo fijn, kijk dat, en dit…’

Ze schudt haar hoofd. ‘Sorry, ik ben niet zo enthousiast als jij’, zegt ze, ‘ik word niet zo, eh…opgewonden van een boekwinkel.’

Ik struikel bijna over haar woorden.

Hoe kan dit? Niet mooi? Niet bedwelmd? Niet in vervoering? Ze wil zich niet in die bladzijden begraven voor een uurtje en daarna gelukzalig met een nieuwe aanwinst vertrekken?

Nee. Het doet haar helemaal niets.

Sorry.

Ik houd zoveel van boekwinkels. Je kunt gerust stellen dat ik een junkie ben die haar gezelschap op slinkse wijze richting boekhandel drijft. ‘Nou ja zeg, staan we ineens voor de boekwinkel!’ kan ik heel overtuigend verrast zeggen.

De waarheid is dat ik in elke stad een ander schatje heb. Dat ik in nieuwe steden google waar te moeten zijn. Op zoek naar een winkel waar mensen werken die aanvoelen dat ik een lettershot nodig heb. Heus, niet elke winkel is euforie waard.

Het Colofon in Arnhem wel, ’t Spui in Vlissingen ook. Of De Drvkkery in Middelburg, Adr. Heinen in Den Bosch, Waanders in Zwolle, De Dominicanen in Maastricht, De boekenbar in Utrecht, H.de Vries in Haarlem, Stumpel in Almere. En alle kinderboekwinkels en de rest die ik nu even vergeet op te noemen.

#nospon, hoor ik daarbij te vermelden.

Ieder zijn meuk, zou iemand zeggen die ik ken.

Goed dan. Mijn meuk is een enorme rij ongelezen letters op een plek waar je live met handen en voeten een boek kunt beschrijven dat dan ook gevonden wordt. Waar je als je verdriet hebt gratis een gedicht krijgt om voor te lezen tijdens het afscheid (’t Spui in Vlissingen). Waar de verkoper net zo uitkijkt naar een nieuwe uitgave als jijzelf (Het Colofon in Arnhem). Waar ze bovendien vulpennen verkopen. Of notitieboekjes. En waar je echt waar, alle boeken die niet in de winkel liggen, kunt bestellen, laten bezorgen of – nog beter want opnieuw de winkel in – kunt ophalen.

No spon, zeg ik nog maar een keer. Maar heus, gun jezelf een boekwinkel om de hoek. Laat die bolle blauwe links liggen.

No fat-shaming.

 

 

 

 

 

30 januari 2020 Er was eens

Don Juan

Ik heb sjans. En niet zo’n beetje ook. Hij beweegt zijn wenkbrauwen op en neer. Knijpt een van zijn ogen dicht. Haalt een hand door zijn lokken en lacht een brede lach.

‘Hé!’ zegt hij, zijn stem een beetje schor. Een kleine verkoudheid, denk ik.

Hij lacht zo ongeremd dat ik wel terug moet lachen. Hij lacht nog breder. Roept luider: ‘Hé!’

Zo blij is hij dat ik toch even achter me kijk. Maar ik sta hier alleen. Deze pijlen schiet hij echt op mij af. Ik ben er niet ongevoelig voor. Zijn donkere krullen, brede lach en kuiltje in zijn kin…

Hij duwt de vrouw die bij hem is wat aan de kant en wil naar me toelopen. Ze houdt hem tegen en kijkt verbaasd van hem naar mij.

‘Ken je haar?’ vraagt ze. Hij negeert haar volkomen en roept nog maar eens ‘Hé!’ naar me. Ik word er verlegen van en begin te vermoeden dat ik hoogstwaarschijnlijk op iemand lijk die hij graag ziet.

Hij probeert los te komen van de vrouw. Ze houdt zijn hand echter stevig vast. ‘Kijk een kat!’ probeert ze hem af te leiden. Dat lukt want hij hurkt en roept nu ‘Hé’ naar het ongeïnteresseerde huisdier.

Hé! is de algemene begroeting voor katten en mevrouwen bij de bushalte.

Als we even later in de bus zitten en hij net met zijn neus bij het raampje kan, draait hij zich naar mij om. Ik zwaai naar de kleine Don Juan. Hij glimlacht lief naar me en gaapt vervolgens uitgebreid.

Op vrijersvoeten zijn is vermoeiend, helemaal onder het toeziend oog van je moeder. Hij legt zijn hoofd te rusten tegen haar bovenarm en mompelt wat.

Hè, hè, vermoed ik.

29 januari 2020 Er was eens

Oproerkraaiers

De ganzen vliegen rondjes boven mijn huis en landen aan de oever van de plassen. Ze maken herrie. Het kan een gesprek zijn. Of een pittige discussie. Hun vleugels houden ze iets naast hun waggelende lijf terwijl ze van links naar rechts over het fietspad zwalken. Van slootje naar grote plas. En andersom.

Als je je ogen een beetje dichtknijpt, lijken ze op vrouwen die hun dikke lagen rokken bijeenhouden. Bijna een fragment uit een schilderij van Pieter Brueghel.

Fietsers, honden, wandelaars en joggers. Iedereen wordt hartgrondig door de ganzen uitgescholden. Ze versperren de weg. Blazen naar iedere voorbijganger.

Die ontwijkt hun snavels. Trapt harder op de trappers. Maakt zichzelf onzichtbaar, net zoals de honden die met hun staart tussen de benen langs de grote toom oproerkraaiers sluipen.

Als ik bijna bij de hangplek ben, is er tumult. Ze vertrekken. Een voor een stijgen ze op. Op weg naar het zuiden? Naar Frankrijk? Spanje? Of nog verder?

Net opgestegen schreeuwt een tegemoetkomende vlucht ganzen uit volle borst: Vergeefse moeite! Keer om! Keer om! Blijf hier! Het is koud in het zuiden!

De V maakt een bocht naar rechts en zet de daling alweer in.

De ganzen die zijn achtergebleven want te laat, te moe.. of weet ik het, lachen hun terugkerende soortgenoten uit.

Dat doet ze niets. Ze pakken hun verendeken weer op en waggelen van links naar rechts.

En weer terug.

Op zoek naar het beste plekje. Met de vliezen in de klei en hun kop alvast in de wolken.

Bijna februari.

 

 

 

 

 

 

 

28 januari 2020 Er was eens

Beeldenvangers

Af en toe is het disco in mijn ogen. Stroboscopische flitsen op één punt, steeds sneller knipperend. De eerste paar keren schrok ik ervan. Wit geflikker, net als een blacklight uit andere jaren. Of nee, ik kan het beter omschrijven als het doorbranden van een film.

Mijn vader die vloekend de projector uitzette, mijn moeder die de lampen aandeed zodat de film nog deels gered kon worden. Het doorgebrande stuk werd eruit geknipt en de goede delen aan elkaar geplakt.

Dat kan helaas niet met mijn ogen.

Soms vergeet ik het, die toekomst. Dan lijkt het ver weg, dan is het er gewoonweg niet. Maar als ik de ganzen zie overvliegen, mezelf weerspiegeld zie in de ogen van hen die ik liefheb, dan word ik soms zo woest.

Woede is echter niet een al te beste angstbestrijder.

Deze zomer keek ik naar de beelden die mijn opa ooit ving. Als de vader van mijn moeder niet in zijn eigen café-restaurant werkte, reisde hij, fotografeerde hij. Dat was voor die tijd uniek. Ik weet zeker dat hij Instagram fantastisch zou vinden.

Van mijn voorouders draag ik zijn drang om beelden te vangen met me mee. Ik heb een onstilbare honger naar visueel vastleggen. Misschien nu nog wel meer dan ooit. Zien dat ook hij de tijd liet stilstaan en misschien daardoor nog beter kon onthouden, geeft wat rust.

Het geflikker is binnen vijf minuten weg. Dat is een geruststelling, iedere keer. Een disco is ook fijn zonder licht.

In het donker kun je nog steeds dansen.

 

27 januari 2020 Er was eens

Vergeten woorden

Taal is cruciaal voor menselijkheid, zegt psychiater Dirk de Wachter. Hij pleit voor het niet verwaarlozen van woorden. Hij moedigt ons aan om kinderen voor te lezen, om te reflecteren, om na te denken en beelden te nuanceren door er tekst aan toe te voegen.

Natuurlijk, hoe objectief kan een taalliefhebber als ik zijn. Toch denk ik dat niet alleen ik behoefte aan woorden heb. Ook als je niet schrijft of graag leest, zijn woorden, gesproken of geschreven, onmisbaar om je mens te voelen.

Of om de ander te kunnen begrijpen.

Het voelt als een receptuur. De vergeten groenten die je moet toevoegen zijn in dit geval 26 letters waaruit je kunt kiezen. Taal in woord en geschrift.

Het afgelopen jaar heb ik ervaren hoe belangrijk taal is in plaats van emoticons. Hoe waardevol een handschrift kan zijn. Een telefoontje. Een persoonlijk gesprek. Een langere whatsapp. Geformuleerde zinnen waarin je, als je goed kijkt of luistert, de aarzeling en emotie op zal merken. En natuurlijk passen er beelden bij die woorden, net als een gezichtsuitdrukking je nog meer vertelt wanneer je met een ander praat.

Ja, taal is de manier om verdriet te delen. Of verbondenheid. Of blijdschap. Want dat is eveneens een alinea waard of een gesprek en niet alleen maar een reeks symbolen met hartjes en toeters en bellen.

Nogmaals, hoe objectief kan een taalliefhebber als ik zijn.

Maar toch.

Laten we de woorden niet vergeten, zei een psychiater.

23 januari 2020 Er was eens