Uit 't Copy van Clason

Hetzelfde

‘Wij zijn precies hetzelfde.’

‘Ja.’

‘We zijn allebei klein.’

‘Ja.’

‘We hebben allebei donker haar.’

‘Ja.’

‘We houden van voetballen.’

‘Ja.’

‘En als we niet voetballen, hebben we het over eten.’

‘Ja.’

‘Al bij het ontbijt.’

‘Nou…’

‘Jawel, geef maar toe. Vraag je ook meteen wat je eten gaat die avond?’

‘Ja.’

‘Zie je wel.’

‘Ja.’

‘We zijn allebei Waterman! Ook nog.’

‘Eh..ja…denk ik’

‘Ja, dat ben je. En we zijn grapjassen. Toch?’

‘Ja.’

‘We hebben allebei een donkere papa.’

‘Ja.’

‘En een mama die altijd zegt: doe voorzichtig!’

‘Ja!’

‘Wij zijn precies hetzelfde.’

‘Ja.’

‘Fijn hè.’

‘Ja.’

 

 

28 november 2017 Er was eens

Strepen

‘Ik zette een streep door mijn verleden. Maar moest er ook een door mijn toekomst zetten.’

Ze roert in haar kopje. We kijken allebei naar de door de lepel ronddraaiende koffie. Als ze stopt met roeren blijft de vloeistof bewegen.

‘Dus aan weerszijden van mijn leven heb ik dingen doorgestreept. Meer in het heden kun je niet zijn.’

Ze neemt een slok.

‘Wist je dat mensen in de jij-vorm praten als ze proberen wat afstand van hun woorden te nemen?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Dat deed ik net. Ik had ook kunnen zeggen: meer in het heden kan IK niet zijn. Maar JE zeggen voelt prettiger.’

Ik begrijp haar. Denk ik.

‘En weet je, doorstrepen is zoiets onzinnigs. Door er een fictieve, dikke viltstift bij te pakken en simpelweg het weg te krassen, heb je het juist gemarkeerd voor het leven. Onderstreept in plaats van gewist.’

We zwijgen.

‘Geen verleden. Geen toekomst. Hier en nu.’  Ze zucht. Ik slik tranen weg.

Ze gaat resoluut rechter zitten.

‘Dus: niet strepen. Nooit. Is zonde van de horizon. En nooit luisteren naar sombere, filosoferende, oude wijven’, grijnst ze, ‘geef mij je koekje maar.’

‘Mooi niet’, zeg ik.

Ze lacht. En god, wat kan ze dat toch goed.

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

22 november 2017 Er was eens

Dansen

Mijn armen strek ik uit en de lucht verplaatst zich. Rondom me. Achter me. Ik draai en draai en draai. Niks voelen, denken, weten. Alleen nog maar voeten die het ritme oppakken. Handen die als het ware het onzichtbare aan de kant duwen. Mijn hart in mijn borstkas neemt de beat over. Exact in de maat.

Geen gedachtes, maar tellen. Geen dwalen, maar muziek. Vijfenvijftig minuten zweef ik, droom ik, leef ik. Is de choreografie het enige wat bestaat.

De muziek stopt en ik sta stil. Ik rek en strek. Koel af. Ik keer bijna terug naar de mist.

En terwijl ik nog in de zaal dans, maar dan in mijn hoofd, fiets ik naar huis. Nog vijftien minuten voordat die hersenen zich weer zullen openen en alles weer aandacht vragen zal.

Ganzen vliegen boven me. Motregen doet alvast het voorwerk van de douche.

Nog even. Nog heel even dans ik. Straks sta ik wel weer stil.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

16 november 2017 Er was eens

De bakkersvrouw

De auto was ooit van de bakker. Hij was de chauffeur. Zijn vrouw zat op de passagiersstoel. Altijd, want zij reed niet graag. Ze hield zich vast aan de handgreep boven haar deur als hij net iets te fanatiek de bochten nam. ‘Komaan Jacques’, zei ze dan. Hij verontschuldigde zich altijd. Ook als hij vond dat ze geen gelijk had.

Op de achterbank pasten net twee kratten. Een met brood. De ander met gebak. Elke zaterdagmiddag bracht hij het krat met overgebleven brood naar het Leger des Heils. Het gebak nam hij mee naar huis.

Want zij hield er zo van. At alles gretig op. En soms extra, om hem te plezieren. ‘We willen niet goede waar weggooien!’ zei hij altijd. Meer aanmoediging om de laatste roomsoezen te verorberen had ze niet nodig.

En met de jaren zakte haar passagiersstoel dieper naar de bodem van de auto. Hij maakte te fijne taarten, ze werd zwaarder. En dat maakte haar – en hem – niets uit. Maar ze raakte wel met steeds meer moeite uit de auto.

Het werd tijd voor een nieuw vervoersmiddel. De auto werd verkocht.

Aan een twintiger die er elke dag mee naar haar werk rijdt. Op de passagiersstoel liggen dozen met boeken. De achterbank is een vergaarplek van jassen, sjaals, oude verpakkingen en spaarpunten.

En soms als ze bij het stoplicht staat, kijkt ze naar de stoel van de bakkersvrouw. Zoveel lager. Zo ingezakt. Ze glimlacht dan, trekt voorzichtig op om de vervlogen herinnering van de vrouw niet naar de handgreep te laten reiken.

En heus. Dan ruikt ze immer een vleugje brood en taart.

 

 

 

 

13 november 2017 Er was eens

Zo…vroeger

‘Mam, je hebt het steeds over vroeger.’ Ze zegt het terloops. Vlak voor ik haar een kus geef en ze naar school gaat. ‘Vroeger?’ vraag ik nog. Haar broertje geeft antwoord: ‘Ja, over toen we klein waren. Zoveel vroeger.’

Ook hij gaat dingen doen.

Ik zit alleen aan de keukentafel. Tegenover me kijkt mijn driejarige ik me aan. De foto heb ik zelf tussen de koffiemokken geklemd, omdat het beeld zo zorgeloos is. Zo onwetend. Zo…tja.. zo vroeger.

‘Kijk af en toe naar hoe je de wereld en het leven ook kunt zien. Een kinderfoto toont je dat bijvoorbeeld’, zei iemand me met verstand van zaken. Het zou kunnen dat ik haar foutief citeer.

Dit lijkt me een moment om even te kijken, dus staar ik naar mezelf. Naar het meisje dat ik ooit was.

En jawel, ineens begrijp ik het. Ik voel een legenestsyndroom zonder dat iemand het bosje takken verliet.

Vroeger heeft er geen bal mee te maken. Toekomst des te meer.

Tevreden drink ik mijn koffie. Een merel zet een vrolijk wijsje in.

Theatraler kan bijna niet.

 

 

 

30 oktober 2017 Er was eens

De weg

Hij houdt de kaart voor zijn gezicht. Zij kijkt naar de achterkant, vol advertenties en kleurrijke andere oproepen. Ze is ongeduldig want ze vraagt steeds: ‘En? En? Nou?’ De man humt wat. Ze kijkt verlegen lachend naar het meisje naast de man. ‘Hij zoekt de weg’, legt ze uit. De puber knikt beleefd.

De man laat de kaart zakken: ‘Ik denk dat ik weet hoe we moeten wandelen.’ Ze knikt verheugd. ‘Fijn’, antwoordt ze.

Ze staren allebei uit het raam. Bossen, weilanden. Een boerderij.

Het meisje naast de man praat met haar reisgezelschap. Ook een tiener met lange haren. Ze lachen. Giebelen meer. Zoals alleen meisjes van zestien dat kunnen.

De vrouw tikt op de kaart op de schoot van de man. ‘Misschien moet je nog eens goed kijken. Of weet je het al uit je hoofd?’ Ze klinkt trots. ‘Jij weet altijd alles uit je hoofd. Fotografisch geheugen. Heel knap.’

Ze zegt het niet tegen hem, maar tegen de rest van de passagiers in deze coupé.

Hij lacht naar haar. ‘Ja, ik weet de weg. Vertrouw me toch eens mens!’ Ze bloost als hij voorover buigt en een kus op haar hand drukt.

In Utrecht stappen ze uit, net als ik. Hij kijkt vertwijfeld rond. Zij kijkt naar hem.

‘En?’ vraagt ze.

‘Daar!’ wijst hij.

De weg is gevonden.

29 oktober 2017 Er was eens

Met een reden

‘Ken je dat? Dat je om je heen kijkt en denkt: Is dit het nou. Is dit het leven?’

De vragensteller kijkt zijn vriend aan. Die stopt met rekken en strekken, bukt zich en heft twee kleine maar zware halters. Als antwoord haalt hij zijn schouders op, zijn gezicht vertrekt. Door het gewicht of door de vraag. Dat weet niemand.

De man gaat naast zijn vriend zitten. Ze kijken elkaar nu in de spiegel aan. In spiegelbeeld kun je ook praten.

‘Ik bedoel. Ik ben natuurlijk de vijftig ruimschoots gepasseerd. Jij nog lang niet. Maar echt… er komt een moment en dan kijk je naar jezelf alsof je naar een film kijkt. Geloof me jongen. Zo gaat het dan.’

De vriend gromt iets terug. Hij heeft zwaardere gewichten gepakt en praten is nu echt niet meer te doen.

Dat kan de man eigenlijk weinig schelen. Hij staart naar zichzelf. Heel even rolt hij zijn spieren en bekijkt ze zonder bewondering. Het is meer een vaststelling: ja, ze zijn er nog.

‘Weet je. Je moet niet te lang nadenken over bepaalde keuzes. Mijn pa zei dat. Niet almaar terugkijken. Spijt is zonde van je tijd. Hij zei dat als je zeventig bent je weet dat alles met een reden is gebeurd.’

Nog steeds is zijn vriend niet spraakzaam.

‘En als je denkt: had ik maar, had ik maar…almaar dat denkt. Dan komt er een tijd dat je…’ Zijn vriend onderbreekt hem: ‘Dat je een puinhoop van je leven maakt.’

‘Oh’, zegt de man bedremmeld.

‘Ja gast’, zegt zijn vriend die nu ook tegen zichzelf praat in de spiegel, ‘en voor puinhopen heb je spierkracht nodig.’

Hij duwt een halter in de handen van de man. ‘Hiero. Net zo zwaar als het leven zelf.’ Hij lacht erbij.

De man gaat staan en heft het leven boven zijn hoofd. Hij lacht niet. Nog niet.

Dat is nu echt niet te doen.

 

 

28 oktober 2017 Er was eens

Mona Lisa

Is ze echt? Of een etalagepop? Ik verzit om beter te kunnen kijken.

Ja. Het meisje is echt. Wel staat ze dood- en doodstil. Ze staart voor zich uit. Om haar heen zijn flesjes, zakken chips, tijdschriften en chocoladenrepen uitgestald. Deze kiosk is haar glazen omhulsel op dit oude perron. Meedogenloos transparant, want we kunnen haar van alle kanten zien. De mensen in de trein hier tegenover die naar Zwitserland vertrekken. En wij, de passagiers richting de andere kant van deze grote stad.

Ze beweegt nog steeds niet. Geen klanten vragen haar aandacht. Ook hoeven producten blijkbaar niet worden aangevuld. Haar handen liggen op de balie. Ze heeft een glimlach. Maar dat zie je alleen als je heel goed kijkt.

Mensen rennen voorbij om de treinen te halen, net op tijd voor het fluitsignaal. Ze zien niet dat in de glazen omlijsting een Mona Lisa van vlees en bloed huist. Ze spoeden zich naar hun volgende bestemming. Kinderen worden aan armpjes meegetrokken. Koffers belanden nog net op tijd in de bagagerekken.

Ook mijn trein glijdt langzaam langs het perron. Weg van haar. Weg van het levende standbeeld.

Ik draai me nog een keertje om en zie hoe ze alsnog beweegt. Ze masseert haar nekwervels met haar linkerhand.

Over een paar minuten komt de volgende trein. Nieuw publiek.

Ze is er klaar voor.

 

 

 

BewarenBewaren

19 oktober 2017 Er was eens

Papa

Ik ben 46. Hij 82. En we zitten in het ziekenhuis.

Tegenover ons halen mensen koffie uit een koffiemachine die alle mogelijke varianten biedt. Verpleegkundigen wandelen voorbij. Ze praten over het ultieme recept voor zoete aardappeltaart, over de komende herfstvakantie en over een aanbieding bij de Hema.

Een elektricien wacht bij de balie, zijn ladder heeft hij in delen bij zich. Er zijn een paar lampen stuk. Dat hebben wij al gezien.

Soms wordt een naam geroepen. De koffiebeker wordt dan achtergelaten, tijdschriften worden terug op stapels gelegd.

Mijn naam klonk nog niet, dus wachten wij geduldig.

Want we zijn vroeg en meer kunnen we niet doen. Ik kijk naar hem en maak me zorgen. Hij om mij.

We verbergen dat gevoel onder grappen. Onder een lach. Daar zijn we supergoed in. Ook dat is genetisch, denk ik.

Hij is 82. Ik 46. En we zijn hier niet voor hem.

Dat maakt het wat vreemd. Een kind dat haar vader als gezelschap meeneemt naar een ziekenhuisbezoek is op mijn leeftijd uniek. Misschien is het daarom dat het me zo ontroert. En dat ik probeer elke minuut in me op te nemen. Te koesteren.

Wat artsen gaan zeggen, weten we namelijk al. Wat de toekomst brengen zal is nog vaag. Wazig zelfs. Dat is een ding dat vaststaat.

Tot die tijd noemen we dit vol overgave ons ‘vaderdochteruitje’.

Ik vind het een van de mooiste ooit.

 

 

 

 

 

18 oktober 2017 Er was eens

Uitje

‘Rauw?’

‘Ja. Niet gekookt, niet gebakken.’

‘Levend?’

‘Nee…niet levend.’

‘Stik je dan niet in de graten?’

‘Die haalt dat meisje eruit.’

‘Als ze dat maar kan.’

‘Jawel. Dat kan ze heel goed.’

‘En dan?’

‘Uitjes. Augurken erbij.’

‘Oja…Kun je die staart ook eten?’

‘Nee.’

‘…’

‘Wil je proeven?’

‘Ja.’

‘….Niet uitspugen als je het vies vindt. Daar staat een prullenbak. Ok?’

‘…’

‘En?’

‘Vind de uitjes het lekkerste… Doe mij nog maar wat uitjes. Zijn die ook rauw?’

‘Ja man, die zijn ook rauw….’

‘Mama, waarom lach je nou zo.’

 

17 oktober 2017 Er was eens