Uit 't Copy van Clason

De tijdreizigster

‘Ik was hier in 1945 voor het laatst.’ Het meisje kijkt vriendelijk naar de oude dame en dan heel even achter de vrouw. Ze schat in dat de eerstvolgende –  dat ben ik – een praatje kan handelen.

‘1945? En nu pas weer terug?’ vraagt ze daarom.

De dame, ze komt tot mijn schouder, knikt. ‘Ja. Nu pas. Eerder kon het niet. Wilde ik niet.’

Ze zwijgt.

‘Is er veel veranderd?’ vraagt het meisje. De vrouw glimlacht wat verbaasd. ‘Ja er is in al die jaren veel gebeurd…ik woonde op de Oudegracht. Hier, een paar huizen verderop.’

Ze zwijgt opnieuw.

De rij achter me wordt langer. Er wordt gekucht. Geschuifeld. Het meisje is zich daarvan bewust en duwt de vrouw de tas met het gekochte boek in de handen. ‘Nou, dan heeft u heel wat herinneringen op te halen!’ De vrouw is echter niet daar in de boekwinkel maar op een tijdreis in haar hoofd.

Het meisje draait op haar stoel, kucht nu ook. ‘Mevrouw? … Mevrouw? Er zijn mensen die ook willen betalen? Mevrouw?‘ De vrouw knippert even met haar ogen. ‘Oh, kind.. ik houd je op.’

Het meisje knikt. ‘Daar in het begin van de winkel staan ook boeken over de oorlog in Utrecht! Misschien vindt u nog wat moois.’  De ogen van de tijdreizigster worden groot. ‘Nee dank je’, glimlacht ze. ‘Daar was ik bij.’

Ze pakt de tas, een zachte groet en ze draait zich vastberaden om.

Ze heeft niets meer nodig. Een boek in haar tas en een in haar hoofd.

Dat is meer dan genoeg.

 

 

 

24 mei 2017 Er was eens

In een oogwenk

Slecht nieuws. Ik zie het aan hun gezichten voor ik de woorden hoor. Bezorgdheid hand in hand met medelijden.

Ik wil zeggen dat ik hun blikken niet fijn vind. Dat ik zo niet bekeken wil worden. Niet wil dat het over mij gaat.

Maar ik kan beter opletten.

Want ik weet niets over dit onderwerp. Begrijp het niet. Mijn innerlijke journalist zou nu haar werk moeten doen, maar zij laat het compleet afweten.

De co-assistente is opgelucht dat de arts het woord voert. ‘Je bent veel te jong. Dat is een feit. Het betekent dat je in de toekomst niet meer kunt lezen of schrijven. Gezichten en kleuren niet meer zult herkennen.’

Nu voel ik me een meisje van zes. Je ziet het niet aan me, maar ik draai me om met mijn vingers in mijn oren. Ik zou ook nog ‘lalalalalala’ kunnen zingen. Wie weet werkt dat ook als je halverwege de veertig bent.

Het werkt. Langzaam verplaats ik me van de plek waar ik fysiek achterblijf. Ik zit nu tegen de boom in mijn geboortestad. De woorden in de ruimte waar mijn lijf nog is, vervormen zich als het gefluit van de vogels die daar altijd zingen.

Altijd.

Toch?

‘Onbehandelbaar. Tijd zal het leren. Vijftien of tien jaar, met pech vijf jaar. We weten het niet. Maar dood ga je er niet aan. En.. het licht zal niet geheel doven.’

Kun je sterven zonder dood te gaan? De vogels fluiten.

Zomaar is alles veranderd. In een oogwenk. Ik kijk naar de takken, de bladeren. Denk aan de kinderen. Aan de anderen die ik liefheb. Ik maak foto’s in mijn hoofd. Om de beelden daar altijd te kunnen bekijken.

Altijd.

Toch?

 

 

 

22 mei 2017 Er was eens

Geheim

Ze staat stil en rommelt wat. Ik kan niet zien wat ze doet. Dan draait ze zich om en gooit iets achter zich.

Propjes papier.

De wind pakt ze meteen op en speelt ermee. Het meisje ziet me en loopt snel verder. Ze kijkt steeds achterom. De propjes volgen haar op de voet, cirkelen in de luchtstroom.

Steeds sneller en sneller loopt ze, maar het weggegooide papier haalt haar bijna in.

Is het een slecht cijfer dat verfrommeld werd voor het thuis gezien kon worden? Is het een afwijzing van die jongen waar ze al zo’n tijd aan denken moest? Is het een briefje van de meester, haar ouders vragend naar school te komen?

Ze kijkt steeds achterom naar mij en naar dat wat ze niet meer bij zich wil dragen. De propjes liggen nu stil. Nog een paar passen en ik kan mijn voet erop zetten zodat ze niet verder vliegen.

Het meisje kijkt nog een keer achter zich en dan – alsof ik haar straffen zal – holt ze met grote passen een straat in. Ik houd intussen het afval in mijn hand.

Ik zal het weggooien in de vuilnisbak, zonder te weten wat erop staat.

Sommige geheimen moet je niet willen weten.

16 mei 2017 Er was eens

Bagage

Ik ben met mijn oudste kind in een stad met grachten. Hoewel we onze koffers bij het hotel achterlieten, voel ik nog steeds dat ik iets bij me draag. Bagage van lang geleden. Ik kijk naar haar, zonder dat ze dat ziet. Wat is ze groot. En grappig. En lief. Een cadeau is het dat ze met me mee wil.

Misschien voelt ze het aan dat ik hem verboden heb mee te reizen. Dat ik hem streng heb toegesproken achter te blijven. Zo eenvoudig als dat. Klaar ben ik met hem. Genoeg geweest. In de trein daarnet was ik toch heel even op mijn hoede. Had hij maling aan mijn boodschap? Was hij toch meegereisd? Maar nee, hij zat niet stilletjes naast me. En nee, hij verschuilde zich niet achter haar smalle rug.

Ook in de stad van onze bestemming kwam ik hem niet tegen. We liepen met rolkoffertjes langs bouwputten en opengebroken straten, keken in etalages van kappers (‘Ik telde er wel 16, mam!’) en uiteindelijk lagen we naast elkaar op het grote tweepersoonsbed. ‘En nu?’ vroeg ze. ‘Nu gaan we over de gracht varen’, zei ik, nog steeds verbaasd en blij dat hij niets van zich horen liet.

Ik vaar met mijn kind in een stad met grachten. Ik maak te veel foto’s, omdat ik alles wil vasthouden. Omdat ik eindelijk de moeder voor haar ben die ik zo graag had willen zijn toen zij klein was. Veel te veel jaren liet ik me leiden door de klootzak die angst heet. De bagage van een paniekaanval waar zij onbedoeld bij was, werd elk jaar zwaarder en zwaarder. Dus bleven we dicht in de buurt van een veilige haven.

Die veilige haven heb ik niet meer nodig. Zelfs niet nu we in een boot langs terrassen varen. Een oudere dame heft haar glas naar ons. Ik knijp de hand van mijn kind bijna fijn van gelukkig zijn. Dan zie ik hem.  Ik kijk de angst in de ogen. Tot hij zijn blik neerslaat.

Hij zucht, want hij weet het. En ik ook.

Voortaan zal hij zelf zijn bagage moeten dragen.

4 mei 2017 Er was eens

Arendnest

Het bootje is vaalrood. Een kant ligt dieper in het water. Daar heeft ook het kroost een plek gevonden. Het groene spinrag van het water drapeert zich aan bakboord, waardoor het vale rood toch afsteekt.

Het moet lang geleden zijn dat er gevaren werd. De aanlegsteiger is ingestort. De planken wijzen naar beneden. Niemand zal het in zijn hoofd halen de steiger te betreden.

Het bootje draagt een wonderlijke naam: Arend. Hoewel er na de ‘d’ ook nog een letter zou kunnen volgen. Dat is net niet meer te zien. De boot met vogelnaam werd vergeten.

Hoewel…

Daar staat een picknicktafel. Op de hoek een beker en een asbak. Dat moet het Arendnest van de bemanning zijn. De voormalige bemanning, want de boot is klein en een roker past niet meer. Of lijkt de boot kleiner vanaf hier? Ik speur de kade af naar een jongen die een man werd. Of is het een vrouw?

De trein vertrekt en de boot verdwijnt uit mijn zicht. Dobberend tegen het kroost. Uitkijkend naar de kapitein.

Net als ik.

17 april 2017 Er was eens

De acrobaat

Een radslag. Nog een. En nog een paar. Ze schopt het zand weg met haar voeten. Handen in de hoogte, heel even wachten… en daar gaat ze weer.

Een kleiner meisje kijkt met duim in haar mond toe. Een vrouw leunt met haar handen achter zich, haar gezicht naar de zon. Radslag nummer zoveel. Ik ben de tel kwijt. Het meisje maakt de cirkel rondom de vrouw en het kleine meisje nauwer en nauwer. De vrouw veegt wat zand van haar schoot en wijst naar een open plek iets verderop. Ook daar kunnen kunsten geoefend worden. Het meisje aarzelt even, maar huppelt dan naar de aangewezen plek.

Daar staat een lange man. Hij praat met haar. Legt uit, wijst, gebaart veel met zijn handen. Ze luistert met haar hoofd in haar nek. De man steekt zijn handen in de lucht. Het meisje ook. Daar gaat hij. Een radslag. Nog een. En nog een paar. Sierlijk en strak tegelijkertijd. Het meisje volgt hem op de voet. Probeert ook haar benen bij elkaar te houden zodat ze net als hij heel even op haar handen staat en dan toch de draaiende beweging afmaakt. De man laat zich in het zand ploffen. Hij is nu haar publiek.

Het kleine meisje van zo-even kruipt met duim in haar mond bij de man op schoot. Nu komt ook de vrouw bij hen zitten. Ze leunt tegen de man en samen kijken ze naar hun acrobaat. Totdat de voorstelling wordt gestaakt omdat het meisje zich achterover in het zand laat vallen.

Pauze. Straks zal ze weer een rad draaien voor hun ogen. Nog een. En nog een paar. Onvermoeibaar.

 

 

11 april 2017 Er was eens

Ademtocht

Iedere keer als hij diep uitademt, voel ik dat op mijn gezicht. Het maakt me misselijk. Hij doet het namelijk vaak en vol overgave. De koptelefoon op zijn hoofd moet de reden zijn dat hij totaal niet doorheeft dat hij als een windmachine zijn longinhoud de coupé inblaast. Mijn haar beweegt zelfs.

Genoeg heb ik ervan, dus ik kijk hem streng aan. Misschien helpt dat. Hij heeft het niet door. Ik blijf kijken. Eindelijk.. hij voelt mijn ogen. Ik trek mijn wenkbrauwen op. Hij ook, en hij blaast opnieuw een diepe zucht mijn kant op. Ik strijk mijn lok met een geërgerd gebaar uit mijn ogen. Hij kijkt wat verschrikt en staart dan snel naar buiten.

Zijn ademtocht weerkaatst nu tegen het glas. Zou hij zo blijven zitten? Voor de zekerheid pak ik het boek uit mijn tas en houd het als een windscherm voor mijn gezicht. Nog vier keer zal deze trein op een station stoppen.

Ik hoop zo dat hij bijna thuis is.

7 april 2017 Er was eens

Podiumdieren

Dit is een plek waar ik het liefste onzichtbaar ben. Dus verplaats ik me langs de plinten zodat ik de ruimte niet hoef over te steken. Mijn rug is gedekt door muren vol posters.

Naast me, een paar passen verder, staat een man in een winterjas. Het is hier veel te warm voor een jas met veren van dons. Misschien drinkt hij daarom zo gulzig een glas bier leeg.

Dicht bij de bar staat een bekende Nederlander. Nieuwsgierigheid wint het van verlegenheid. Heel even is er zelfs sprake van decorumverlies en luister ik af. Het gaat over contracten. Over kansen. Ik herpak mezelf, fluister streng ‘niet doen’. Dat helpt iets, niet veel, want ik blijf kijken.

Gelukkig sta ik halvelings in het donker. Met aan weerszijden nu mensen die op hun telefoon kijken. Zij zoeken net als ik de zijlijnen op zodat de felle lichten kunnen schijnen op de sprekers: de ware podiumdieren.

De BN’er praat met twee vrouwen en een man. De vrouwen hangen aan zijn lippen, bijna letterlijk, ze bewegen hun hoofden naar hem toe. Niet alleen zijn stem vertelt een verhaal. Ook zijn armen mimen de woorden.

De vrouwen lachen precies op het juiste moment. Ze strijken hun lange haren uit het gezicht. Dan, ook ik vind het abrupt, slaat de man vriendschappelijk op de schouder van de andere man, draait zich om en laat het gezelschap achter.

De overgebleven man glimlacht. De vrouwen glimlachen. Maar de dans van aantrekken is voorbij. Ze zijn uitgepraat en kijken naar de bühne waar de BN’er plaatsneemt. Een van de vrouwen drinkt haar glas wijn in een teug op. Op haar hoge hakken loopt ze naar het podium en gaat op de eerst rij zitten.

De BN’er ziet haar. Ze gooit haar haar naar achteren, want ze is nog niet uitgespeeld.

Wat dacht hij nou…

Een podiumdier zit ook graag op de eerste rang.

 

 

 

 

3 april 2017 Er was eens

Benauwd

‘Heeft u deze pillen als eens eerder gehad?’

‘Nee.’

‘Heeft de dokter er iets over verteld?’

‘Hij heeft vooral heel veel gevraagd.’

‘Ik vertel het u dan.. Aha.. u heeft astma. Het kan zijn dat u het benauwd krijgt van deze pillen.’

‘Oh…’

‘Kleine kans. Maar wel een kans.’

‘O ja…’

‘Als u na inname het benauwd krijgt, dan moet u dat zeggen en dan kijken we of we een vervanging kunnen zoeken.’

‘Ja, ja…’

‘U kijkt wat – hoe zal ik het noemen – benauwd.’

‘… denkt u dat ik het merk als ik het benauwd krijg?’

‘Ja natuurlijk. Dan gaat u hoesten en andere dingen, die u normaal ook heeft. U weet toch wel hoe uw eigen klachten verlopen?’

‘Ja natuurlijk, maar ik bedoel. Die pillen…tja… Die zorgen toch dat ik slaap?’

‘Ooooh.. ..hahaha.. nee, u zult niet in uw slaap stikken! Echt niet hoor! U wordt op tijd wakker.’

‘Oh, goed.’

‘Opgelucht? Denkt u eraan dat u alcohol laat staan. Geen pillen oplossen in een glas wijn.’

‘Ah…nee, zal ik niet doen. Zijn er echt mensen die dat doen?’

‘En 24 uur later moet u ook voorzichtig zijn met autorijden.’

‘Dat komt zeker goed. Ik fiets namelijk.’

‘Ook daar moet u voorzichtig mee zijn.’

‘Ik weet niet goed of ik die pillen nog wil.’

‘Wilt u slapen?’

‘Ja.. maar…’

‘Vindt de dokter dat u ze moet hebben?’

‘Nou in feite…’

‘Dan moet u de bijwerkingen voor lief nemen. Net als de prijs. Want deze pillen worden niet vergoed. Pinnen of cash?’

 

 

 

 

 

28 maart 2017 Er was eens

Achter glas

Op deze plaats zit ik op de eerste rij. De hoge kruk achter het raam kijkt uit over de Dam. Onder mij, achter het glas, zitten mensen op het terras. Het is koud. Het regent nu en dan. Maar zij willen roken en er hangen verwarmingselementen.

Het voelt wat ongemakkelijk. Ik maak geen onderdeel uit van hun gezelschap, maar ondanks het glas lijkt het alsof ik brutaal ben aangeschoven bij vreemden. Een van hen, een meisje, kijkt me regelmatig aan. Ze praat met haar vriendinnen. Ik hoor hun stemmen niet. Ruik wel de rook die ze uitblazen. Ik zoek de luchtroosters boven de ruiten.

Kluwen mensen bewegen zich voor de ramen, langs de meisjes op het terras. Richting Bijenkorf of de andere kant uit. Die drukte beneemt me bijna de adem. Mijn ogen kunnen de gezichten niet bijhouden. Een mensenzee die me langzaam overspoelt.

Mijn uitzicht wordt belemmerd door een voorbijganger. Hij staat stil en tikt het meisje op haar schouder. Ze draait zich verschrikt om en hij wijst naar haar telefoon op de tafel achter haar. Zo voor de grijp. Verschrikt stopt ze de telefoon veilig in haar tas. Ze luistert naar de woorden van de man. Hij waarschuwt haar. Dat zie je aan zijn ernstige blik. Ze knikt beschaamd. De boodschap komt aan.

De man wil doorlopen maar bedenkt zich en draait zich om. Heel even kruisen onze blikken, dan houdt hij zijn hand op. Hij kijkt het meisje niet aan terwijl hij spreekt. Het meisje pakt haar portemonnee en geeft de man een briefje van vijf euro. Hij knikt kort, bedankt en loopt verder de Warmoesstraat in.

Ze zijn er stil van, de meisjes. En ik ook.

 

 

 

 

27 maart 2017 Er was eens