Uit 't Copy van Clason

Achterop

Hoelang is het geleden dat ik achter op een bagagerek sprong? Ik kan het me niet herinneren. Mijn benen aan de linkerkant van de fiets, mijn haren om mijn oren.

Nee, ik weet het niet meer.

Mijn fietsster fietste al een tijdje niet meer. Ze slingert nu en dan. Achter ons roept de ander dat ik beter op haar voorrek kan meeliften. Maar er is geen tijd voor een wissel.

Want we fietsen verder, passeren plekken waar we ooit samen waren. We lachen om oude verhalen die als blije koeien uit de sloot worden getakeld.

Daar komen we wonderbaarlijk altijd weer bij uit, bij oude verhalen. Na alle nieuwtjes, goed en slecht, dalen we langzaam af naar vroeger. Toen en toen. En weet je nog.

Zelfs als je zo ver uit elkaar woont, tref je elkaar elke keer opnieuw op die vertrouwde plek in een gedeeld geheugen.

Ze rijdt de busbaan op, racet, studenten roepen naar ons: ‘Voorzichtig!’ We lachen, is het zo lang geleden dat wij 19 waren? Waarom voelt dat niet zo?

De buschauffeur heeft maling aan ons geroep en vertrekt. Ik mis de bus.

Ze springt van de fiets. ‘Ik breng je niet naar huis!’ Het is een twijfelend statement, bovendien staat de volgende bus al te wachten. Ik omhels de beide vrouwen.

Als ik in de bus zit, blazen we nog kussen door de lucht. Dan fietsen ze weg.

Nee, we zijn geen 19 meer. We weten het verdomde goed. Maar waarom voelt het dan niet zo?

BewarenBewaren

BewarenBewaren

19 februari 2018 Er was eens

De middelbare 2

‘Misschien kunnen we samen fietsen.’

‘Dat kan alleen als je al weet of we naar de dezelfde school gaan.’

‘Oh..ja..’

‘Als je naar een andere school gaat appen we. En dan spelen we. Dat doet mijn broer ook hè, op de middelbare, spelen. En appen…’

‘Ja.’

‘…’

‘Mijn zus appt de hele dag.’

‘Mijn broer ook.’

‘Het is wel goed dat we van school gaan. Al die baby’s daar.’

‘Ja…nou.. ja, dat is wel goed. Ze zijn echt klein.’

‘Op de middelbare zijn wij de baby’s.’

‘Ja, dat zei mijn broer ook al.’

‘Dus misschien zijn we niet zo groot.’

‘Nee.’

‘We lijken alleen maar groot omdat de rest op school zo klein is.’

‘Oh…ja.’

‘…’

‘…’

 

15 februari 2018 Er was eens

De eerste

De man bladert door een tijdschrift en neemt soms een slok van zijn koffie. Het plastic bekertje vervormt in zijn hand. Hij houdt het stevig vast. Nu en dan kijkt hij achter zich naar de deuren, maar daar is geen beweging te zien.

Een vrouw loopt de gang in, haar winterjas over haar arm. Papieren voor de onderzoeken in de hand. ‘Is dit wachtkamer groen?’ De man knikt vriendelijk. De vrouw neemt plaats.

Een van de deuren gaat open. Eerst komt de rollator naar buiten. De man draait zich om. ‘Zit hiero!’ De vrouw schuifelt naar de man.

‘Godskolere, wat een klein hokkie is dat.’ Hij lacht. Zij ook. ‘Hebbie je koffie op, lieverd?’ Hij trekt een vies gezicht: ‘Koffie, koffie…’ Ze lacht opnieuw. Hij geeft haar een rode jas aan en houdt haar rollator tegen terwijl ze zichzelf inpakt. ‘Sla je sjaal om, lief.’ Ze doet het.

Ze kijkt op hem neer en strijkt liefdevol zijn haar wat platter. Haar ogen glinsteren. ‘Wie het eerst bij de balie is’, zegt ze en loopt met wankele stappen weg, haar hulpmiddel voor zich uitduwend. Hij draait als door een wesp gestoken zijn stoel om en rolt haar achterna, zijn banden slippen nog net niet over de gladde vloer.

De rollator tegen de rolstoel. Het lijkt een ongelijke strijd. Maar de vrouw verspert hem vakkundig de weg. Hij delft het onderspit.

‘Godskolere!’ roept hij gespeeld verontwaardigd. Ze lacht een klaterende lach. Een lach vol van trots.

De klapdeuren openen en slokken het koppel op. Op naar de volgende race. Dat ziet iedereen.

6 februari 2018 Er was eens

Wij, de minkukels

‘Hier wil ik nog niet dood gevonden worden!’

Ze zegt het triomfantelijk. Met de klemtoon op dood. Ik hoor deze zin toch zeker wel een keertje of tien per jaar. Als het niet meer is. Het is niet een unieke mededeling. Of verrassend.

Dit keer gaat het niet alleen over de stad. De vrouw trekt het nooit-willen-gevonden-gebied iets breder. Het is de hele provincie waarop ze doelt. Nergens op deze grond wil ze dat iemand haar levenloze lichaam aantreft. Haar gezichtsuitdrukking toont het ons: de minkukels, ja jullie, bewoners van dit nepeiland midden in het mooie Nederland….dan heb je een heel land om te kunnen wonen en wat doen jullie?

We lezen het in haar blik en begrijpen de boodschap.

De man naast haar schrijft iets op. Hij kijkt haar niet aan als hij zegt: ‘Ik vind mensen die ergens dood gevonden willen worden sowieso een raadsel. Ik wil geloof ik nergens zonder kloppend hart worden aangetroffen. Niet hier. Niet in Parijs. Nergens eigenlijk.’

Wij, de minkukels, gaan rechterop zitten en kijken nieuwsgierig naar de vrouw die wellicht dood op de Dam liggen nu voor zich ziet. Past dat haar beter? Ze haalt adem om iets te antwoorden, maar bedenkt zich.

Ik kijk de tafel rond en zie ogen schitteren. We lachen ons halfdood.

Halfdood. Want inderdaad, voor sterven is het nog veel te vroeg. Waar dan ook.

 

 

30 januari 2018 Er was eens

Onopgemerkt en denkbeeldig

‘Ik weet t ook niet’, prevelt hij tegen de rand, daar waar het gras stopt en de betontegels beginnen. Hij zakt door zijn knieën, fluistert en haalt zijn schouders op. Hij lijkt te luisteren, het is iets grappigs want hij grinnikt zachtjes.

‘Jelle!’ De jongen kijkt om. Een man roept, wenkt. Hij staat op de eerste rang, de man, de wedstrijd begon nog maar net. Jelle mompelt iets tegen de persoon die ik helaas niet kan waarnemen. Hij komt overeind en slentert duidelijk met tegenzin naar de man.

‘Ik wilde bloempjes plukken’, vertelt hij. De man knikt afwezig en houdt hem bij beide schouders vast zodat Jelle enkel nog naar het voetbal kan kijken.

Een doelpunt en de man juicht. Nu de handen van zijn schouders af zijn, piept Jelle er meteen weer tussenuit.

‘Sorry’, fluistert hij naar zijn vriend die onopgemerkt en denkbeeldig naast mij is komen staan. ‘Moest even weg.’ Hij babbelt heel zachtjes. Luistert. En plukt ondertussen januarimadeliefjes.

De man kijkt om en roept hem nogmaals, ongeduldiger dit keer. Jelle steekt zijn hand op, ja, ja, hij heeft t gehoord. De man kijkt weer richting het veld. Ook hij praat zacht voor zich uit. Zijn woorden verdwijnen, net als die van zijn zoon, in het luchtledige.

Of niet? De man glimlacht zacht en knikt. Hij werd gehoord.

Was ik het bijna vergeten: onzichtbare vrienden zijn overal.

28 januari 2018 Er was eens

Botweg

‘Waar denk je dat dit in je lichaam zit?’ Het meisje houdt het bot voor zijn neus. Hij kijkt even, haalt dan zijn schouders op. ‘Dit is het bot uit je scheenbeen’, leert ze hem. Ze houdt het witte ding voor haar onderbeen. ‘Daar.’

De eigenaar van het uitwendige bot was duidelijk groter dan zij is.

‘En dit?’ Hij houdt een ander onderdeel omhoog. Ze bloost en kijkt op een blaadje. ‘Ik moet even spieken’, legt ze uit. Met haar ringvinger stopt ze een lok achter haar oor. ‘Oh, dat is een bot uit je dij.’ Ze laat niet zien waar zich dat in haar lichaam bevindt. Iedereen weet zijn of haar dijbeen te vinden, moet ze denken.

Hij knikt ernstig. ‘Heb jij dit mens vermoord?’ vraagt hij dan. Ze roloogt. ‘Zeg, ik doe dit heel serieus hè!’ Ze lijkt haar lach in te houden. Ook hij glimlacht zonder het te laten zien.

‘Je kunt daar bij die tafel allerlei dingen weer terug in een leeg lichaam stoppen’, vertelt ze. Ingewanden, hart en zo. Dat vind je misschien leuker.’ Hij knikt nogmaals. Ze zucht en staart wat over hem heen. ‘Volgend jaar ga ik naar Havo 2’, zegt ze. Het is een losse mededeling. Niet speciaal aan hem of iemand anders gericht. Hij haalt zijn schouders op. ‘Ok. Fijn voor je’, zegt hij botweg.

Ze knikt. Haar haarlok hangt weer voor haar ogen.

18 januari 2018 Er was eens

Staartje

Ze staat heel dicht op me. Ik doe een stap naar achteren maar dat is niet de bedoeling. Opnieuw kruipt ze zowat tegen me aan. Ze buigt haar hoofd naar mijn hoofd en fluistert: ‘U weet het niet. Maar u loopt voor gek.’

Ik kijk haar verbaasd aan en probeer tegelijkertijd een stap naar achteren te zetten. De muur staat in de weg.

‘Ja. Ik had u zo door kunnen laten lopen, maar ik zou het ook fijn vinden als iemand me vertelt dat ik voor gek loop.’ Ze knikt vol overgave en wijst halvelings naar beneden, richting mijn benen. Met mijn ogen volg ik haar gekromde vinger.

Sleep ik een lang lint toiletpapier mee? Ben ik uit mijn broek gescheurd? Vlekken op beschamende plekken? Ik bloos zonder te weten waarom.

‘Ziet u, iedereen die achter u loopt, ziet een sjaal tussen uw benen uitpiepen. Aan de achterkant. U lijkt wel een hondje! Met een staartje!’ sist ze.

‘Oh’, is het enige wat uit me komt. Ze knikt ernstig. Ik voel mijn mondhoeken trillen, maar ik houd me in.

‘Een staartje. Echt waar…’ zeg ik dan, ‘dat is gelukkig te overzien.’ Ze neemt wat fysieke afstand van me en trekt haar schouders op.

‘Te overzien? Meent u dat?’ Ze fluistert niet meer en kijkt verontwaardigd om zich heen of mensen meeluisteren. ‘Nou, dan weet ik het ook niet meer. Dan loopt u toch voor gek, als u dat liever heeft!’

Ze draait zich nuffig om.

Ik wil haar nog zeggen dat ik mijn sjaal zal optrekken. Maar dat kan niet meer. Ze is al vertrokken.  Als ze een staart had, had ze ‘m tussen haar benen. Zeker weten.

11 januari 2018 Er was eens

Sporen

Ik kreeg een boek. Tweedehands. Derdehands is ook mogelijk. Dat weet ik niet zeker. Maar als ik dit boek lees, voel ik dat de letters al werden geconsumeerd. De woorden al in een ander brein zijn genesteld. De zinnen mogelijk al door andere lippen zijn gepreveld.

De vorige lezer van dit boek was voorzichtig met het ingebonden papier. Op de bladzijden zijn geen sporen te vinden. Geen kringen of vlekken. Geen onderstrepingen. Geen opmerkingen in de kantlijn. Zelfs een teruggevouwen ezelsoor ontbreekt.

Ook de kaft is ongeschonden. Ik denk dat de lezer het boek onder de arm met zich meenam. Niet in een tas waar andere voorwerpen deuken of krassen konden maken op de gelamineerde illustratie. Of het boek bleef altijd thuis. Dat kan ook.

Ik voel met mijn vingertoppen over de pagina’s die geen sporen bevatten. In tegenstelling tot een bibliotheekboek waar ik de neiging van krijg mijn handen veelvuldig te wassen na het aanraken, wil ik nu juist bijna desperaat achterhalen wat de lezer dacht, rook, voelde en zag.

Dat kan uiteraard niet. Daarom lees ik de zinnen die al gelezen zijn. Ik stel me voor dat ik op deze wijze de woorden overtrek, keer op keer, zoals een kind dat soms doet op papier. Net zolang tot de letters op het vel eronder doordrukken. Ik beitel de zinnen in mijn hersenen. Omdat het zo mooi is woorden te delen. Ook al loop je achter in tijd. Ook al lees je niet op een en hetzelfde moment.

Maar terwijl ik de andere lezer volg over de pagina’s, laat ik wél onbedoeld zien dat ik las. Als een soort kleinduimpje strooi ik met sporen om later terug te vinden. Van een vage vlek chocolade tot omgevouwen ezelsoor.

Zodat zij die na mij lezen weten: ‘Kijk. Daar was zij ooit.’

 

 

8 januari 2018 Er was eens

Vissie

Als hij een wankele stap over de kabels heeft genomen, staat hij plots oog in oog met de vis. Voor hem moet het beest enorm zijn. Met bewonderende blik houdt de jongen zich aan de zijkant van de vis vast. Langzaam streelt zijn hand over de schubben. Dan grijpt hij zich aan de lippen van de vis vast, staat op zijn tenen en kijkt nieuwsgierig in het open gat.

‘Bah, Tim!’ roept een oudere vrouw naar hem. Ze heeft twee grote tassen vol boodschappen in haar handen. ‘Weg bij de vullesbak! Bah, bah, bah!’ herhaalt ze. Tim kijkt verbaasd naar haar en hijst zich opnieuw op om in de bek van de vis te kunnen kijken. ‘Vissie!’ roept hij naar binnen. De vrouw, nog steeds op dezelfde plek begint nu nog wat harder te roepen dat het bah! is.

Het maakt niet veel indruk.

‘Tim!!’ ze komt iets dichterbij. ‘Kom mee, we gaan naar mama. Lunchen. Kom, blijf af. Kom mee.’ Tim doet een stap naar haar toe. ‘Vissie’, legt hij uit. Ze draait zich om. ‘Ja, een gore bak, kom nou maar.’ Ze loopt verder.

Tim kijkt naar de vis. De afvalbak van de visboer grijnst terug. Heel even schieten zijn ogen van de vrouw naar de vis en andersom. Dan haalt hij de speen uit zijn mond, gaat nog eens op zijn tenen staan en gooit het ding in de afvalbak.

Voldaan stapt hij achteruit. ‘Vissie’, zegt hij. Ook dat klinkt uitermate tevreden. Dan herinnert hij zich de vrouw en wankelt achter haar aan. Zijn handen in de lucht van triomf. De vis is gevoerd. Nu is hijzelf aan de beurt.

 

 

20 december 2017 Er was eens

Kijkers en dromers

Ik noem ze de raamkijkers. En als ze in het niets staren zijn het de vensterdromers. Soms kan ik alleen een silhouet zien, een schim. De andere keer weet ik zelfs wat hij of zij draagt. Meestal houden ze iets vast. Een glas. Een mok. Ze poetsen hun brilglazen. Of dragen een kind op hun arm. Ze strelen een kat op de vensterbank. Vegen een vlek weg die hun blikveld vervuilt.

De raamkijkers zijn talrijker dan je denkt. Ik tel er op een ritje van een kwartier zo wel acht. Acht mensen die op het moment dat de bus passeert uit het raam staren of kijken. Om te zien of ze straks een regenjas moeten dragen. Omdat ze geen zin meer hebben in Franse woordjes leren. Omdat ze het huishouden moe zijn. Of uitkijken naar een gast.

En dan te weten dat ik slechts langs de huizen rijd die op mijn route liggen. Niet weet hoeveel mensen in de straten hierachter ook door het glas turen. Dat soort gedachten maken mijn wereld nu en dan duizelingwekkend onoverwinnelijk.

Vanmorgen was ik een raamkijker. Ik keek naar de Eucalyptus aan de andere kant van de ruit. Naar het wolkendek. Aan de overkant ging het gordijn open. Het buurjongetje blies zijn adem tegen het raam en tekende in het condens. Daarna duwde hij zijn neus tegen het glas. Zag hij mij? Nee. Hij was een vensterdromer.

Of toch niet? Plots stak hij zijn arm omhoog en zwaaide naar me. Ik zwaaide terug. Van een kijker en een dromer veranderden we in twee mensen die elkaar zien. Zomaar, op een maandagochtend. Mooi man.

 

 

18 december 2017 Er was eens