Uit 't Copy van Clason

De belofte

Ze zit op haar knieën en haar hoofd bevindt zich ergens tussen de sla, wortels en paprika. Terwijl ze de groentes rangschikt, zingt ze vol overgave, alsof ze vergeten is dat ze hier op de tegels zit. Mensen lopen argeloos en zonder aandacht voorbij. Hun wagentjes en kinderen voortduwend.

Haar stem is loepzuiver. Prachtig.

Ik wil niet dat ze stopt met zingen. Maar alleen zij kan me helpen te vinden wat ik zoek. Ik aarzel even en raak dan toch voorzichtig haar schouder aan. Onder haar witte jasje voelt ze pezig. Ze draait zich om. Is ze geschrokken van mijn verstoring? Beschaamd omdat ze zich muzikaal zo liet gaan? Ik vermoed van niet want ze lacht. Ze slaat gemaakt gegeneerd haar hand voor haar mond.

We lachen nu samen.

‘Zing straks alsjeblieft verder’, begin ik. Ze knikt. Het is een belofte. Dat voel ik in alles. Ik beeld met handen en voeten uit wat ik nodig heb: koffiefilters.

Ze begrijpt me, steekt haar vinger in de lucht en houdt hem daar. Met grote passen wandelt ze het gangpad in, steeds sneller. Ik kan haar bijna niet bijhouden op de gladde winkelvloer.

Links, achter in de laatste gang, tikt ze met diezelfde vinger op de verpakking. We lachen opnieuw naar elkaar. Ik bedank haar in haar taal.

Als ze wegloopt barst ze weer in gezang uit. Vol overtuiging. Haar belofte van daarnet waarmakend. Ze is niet op zoek naar publiek of waardering. Ze zingt. Niets meer. Niets minder.

Ik hoor haar tot aan de kassa. Daar nemen de piepjes het over.

Gratis fado in de supermarkt. Ik kan het iedereen aanbevelen.


3 oktober 2017 Er was eens

Zij

Ooit paste ze in mijn lijf. Nu torent ze almaar meer boven me uit. Ze draagt feloranje kicksen onder een blauw tenue en staat in de stromende regen. Nee, ze hoeft niet onder de paraplu. Ze lacht er lief bij.

Haar teamgenoten, allemaal met te veel armen en benen zoals dat hoort bij meisjes van bijna 15, kijken elkaar strijdlustig aan. Ze gaan winnen. Dat voelen ze. Ondanks de regen? Welnee, dankzij! Ze zijn daar hartstikke goed in, in watervoetballen.

Hun lange haren dragen druppels aan de uiteinden.

Na de aftrap kijk ik naar haar. Zij die ooit opgerold in mijn buik woonde. Ze rent, draait, springt, kopt en schopt. De laatste maanden dat ik haar droeg, deed ze dat ook. Ik kreeg er zelfs gekneusde ribben van.

Wat is ze mooi. In alles.

Zijn dit hormonen die de tranen omhoog duwen? Deze jaren worden ook wel mijn tweede pubertijd genoemd…  Of zou het dan eindelijk zo zijn. Dat tijd inderdaad alle wonden heelt. Dat ongeloof verandert in geloven in?

De regen glijdt van de paraplu af. Steeds sneller volgen de druppels elkaar op. Ik sta nu in een cocon van regen. Met zonlicht in mijn hoofd.

Dat kan zomaar. Op een zaterdagmiddag.

1 oktober 2017 Er was eens

The killer

Een man. Hij staat voor mijn ligbed en kijkt me mistroostig aan, zijn handen in zijn zakken.

‘I come for the palm bugs. I have to kill them.’

Voor een killer ziet hij er behoorlijk aangedaan uit. Ik ben rechtop gaan zitten en ga nu staan. Dit klinkt als een belangrijke onderbreking. De bugkiller loopt voor me uit naar de drie palmbomen op dit terrein.

De palm bug is een ware pain in the ass, vertelt hij. Heel de zuidkust wordt door het dier geteisterd. Alle palmbomen leggen het loodje. Het enige wat een beetje helpt is de dode bladeren van de bomen verwijderen. En ja, gif. Sterk gif. Want het beest komt uit Azië… nou, dan weet je het wel.

Ik zie een insect voor me met de skills en looks van een ninja. Niet te vangen. Niet te verdelgen.

We kijken naar boven, naar de boom waaronder ik daarnet nog lag te suffen. Onwetend van de bug die al koprollend en lucht wegtrappend de boom naar een andere wereld helpt. De man dikt het gevaar aan: ‘Ze hollen de boom uit. En dan valt ie zo op je hoofd. De boom.’

Ik neem zijn waarschuwing ter harte.

Een paar minuten later weerkaatst het geluid van de zaag tegen de heuvels. De palmbladeren vallen op de grond.

De sterke Aziaat is een rode palmkever, google ik. Met larven zo groot als een duim. Een dier dat heel snel en ver kan vliegen.

Na het zagen krijgt de boom een injectie met gif. De verdelger legt zijn hand geruststellend op de bast en prevelt iets. Ik kijk nog eens naar de afbeelding op mijn scherm. De jongste kijkt met me mee. ‘Hij gaat evolueren’, voorspelt hij tevreden, ‘ninja power to the rescue!’

Ik hoop dat de man ons niet gehoord heeft of het dan in ieder geval niet begrijpt.

Maar zijn blik is droevig. Ik vrees dat de killer uitstekende oren heeft.

 

29 september 2017 Er was eens

Rivier

De rivier heeft in deze stad de hoofdrol. Het is de reden dat je altijd weer bij haar uitkomt. Welke afslag je ook neemt. Welke kant je eigenlijk ook op zou willen. Op wonderlijke wijze sta je steeds weer aan haar voeten.

En nooit is ze dezelfde.

Woelig en weelderig als het regent. Kalm en voedend als het droog is. Bij eb laat ze de vissersboten achter op het zand. Bij vloed neemt ze alles weer mee.

Ze past zich aan. Aan het weer en het tij. Aan het licht en de seizoenen.

Ze is het meest gracieus in de avond. Dan durven de krabbetjes haar koele armen te verlaten en kruipen de oever op. Vluchtend voor de krabbenman die tot zijn knieën in haar bedding staat. Trots toont hij omstanders zijn vangst om zich al snel weer naar haar te buigen.

Als de zon achter de heuvels zakt, verandert de hoofdrolspeelster voor de zoveelste keer van gewaad. Diepblauw dit keer. Nog net niet zwart. In haar weerspiegelen kaarsen en lichtjes van de terrassen waar mensen op de tribune zitten om naar haar te kijken. Ze kabbelt geruststellend tegen de wal. Haar publiek zucht hoorbaar want verkoeling geeft ze. Berusting.

De krabbenman vertrekt. De krabbetjes plonsen een voor een terug naar waar ze vandaan kwamen. Heel in de verte trekt een sluier op, net iets boven haar oppervlakte.

De voorstelling is voorbij.

 

 

28 september 2017 Er was eens

Los

De Bougainvillea laat haar bloemen grootmoedig los. Ze dwarrelen als losgelaten kleuters rond het zwembad. De wind duwt een aantal letterlijk over het randje. Pushen is nooit goed. Ze drijven heel even en zinken naar de bodem.

Degene die ontkomen, vliegen met hun papieren bladeren de heuvels in of verblijven nog wat onder de ligbedden tot ook zij verdwijnen tussen de olijf- en sinaasappelbomen. De wereld lonkt.

De eerste krekel schraapt zijn vleugels langs elkaar. De rest van zijn soortgenoten volgt. Het geluid zwelt aan, het startsein voor de zwaluwen die opstijgen, weg uit de decibellen. Hoger en hoger. Hun silhouetten zichtbaar tegen het licht van de zon.

De temperatuur stijgt met de minuut. Gelukkig geeft de Bougainvillea in al haar trotse pracht voldoende schaduw. Straks duik ik haar verzonken schatten op en leg ze te drogen in de zon. Een dagelijks ritueel. Evenals het loslaten van de bloemen. Want ook morgen zal ze dat weer doen. Met het grootste vertrouwen.

Daar kan ik nog es iets van leren.

 

 

23 september 2017 Er was eens

Overstroming

‘Ken je die tekenfilmfiguurtjes waarvan de ogen als ze op het punt staan te huilen half vollopen met water? Getekende tranen? Ja? Zo is het binnen in mij. Een lijf vol met tranen. Als een bad dat bijna overstroomt voel ik me, een volgelopen mens met tranen die geen goede uitweg vinden. Misschien moet ik daarom zoveel plassen.’

Ze lacht om haar eigen grapje. Niemand lacht met haar mee.

‘Heb je daar ooit over gehoord? Tranen die de uitgang kwijt zijn. Ja, dat is het. Ze raken niet uit me. En ondertussen loop ik bijna over. Onzichtbaar, maar toch. Ja. Ik huil de hele dag. Van binnen.’

Ze trekt haar tas dicht tegen zich aan. Een lederen schild is het. Zo groot dat het het gebied tussen haar hart en navel beschermt.

‘Het stopt maar niet.  Ik denk nu al wel een jaar of drie. Misschien raken ze ooit op, zoals ze ook fysiek verdwenen bedoel ik. Mijn ogen tranen niet meer. Druppelen moet u, zegt de dokter. Ja…druppelen….’

Ze staat op. Moeizaam gaat het. ‘Even naar ander gezeik luisteren’, zegt ze tegen haar gezelschap, een man en twee vrouwen. Die knikken en mompelen wat. Ook nu lacht er niemand.

‘Gaat best goed met d’r’, zegt een van de vrouwen als ze uit het zicht is.

‘Beter ken niet’, beaamt de man. Hij doopt zijn koekje in de koffie en de vloeistof stroomt over de rand van zijn kopje.

Ze kijken er alle drie naar. En zwijgen.

5 september 2017 Er was eens

Beter zwijgen

Het meisje opent de kamerdeur.

‘Deze. En drie maanden later…’, ze loopt met grote passen naar de deur ertegenover en opent ook die, ‘verhuist de onderhuurder naar deze kamer.’ Ze stapt opzij zodat ik kan kijken.

Beide ruimtes hebben een hoog plafond. Allebei een hoogslaper waar je beter niet uitvalt. Een kamer met een raam uitkijkend op een blinde muur. Een kamer met aan raamzijde een enorme volière met kwetteren vogels. ‘Die vogels.. die blijven’, licht ze toe. ‘Het is de bedoeling dat die na drie maanden nog fladderen.’ Ze glimlacht om haar eigen grap.

Ze toont me de keuken, tussen de kamers in. Een ranzig hok, met pannen opgestapeld, afwas wachtend op een sopje. Om de pitten van het gasfornuis is aluminiumfolie gedrapeerd waar eten van dagen eerder dan gisteren nog op opgehoopt ligt.

Ze leunt tegen de muur van de gang die tot aan het plafond beschreven is met namen en met telefoonnummers. Het verlengsnoer van de telefoon ligt als een onwillig hoopje in de hoek. ‘Bellen mag maximaal 20 minuten. De tikker houdt het bij.’

We gaan terug naar de overige bewoners van dit huis die op ons wachten tot de korte bezichtiging is afgelopen. Het staat er blauw van de rook, een van hen speelt wat gitaar in de hoek.

‘En? vraagt de jongen die zo uit een Kameleonboek weggelopen lijkt – of maak ik een onbewuste associatie door zijn Friese accent?

‘Ja, prachtig. Ik doe het.’ Ze kijken me allemaal verbijsterd aan.

‘Je doet het?’

‘Ja ik huur de kamers, allebei. Drie maanden de een. Drie maanden de ander.’

Ze zwijgen, blikken schieten over en weer.

Dan grijpt het meisje mijn hand beet. ‘Nou fantastisch!’ zegt ze. ‘Dan zien we je in september!’ De rest mompelt wat.

Bij de voordeur buigt ze naar me toe. ‘Wat een geweldige tactiek’, fluistert ze, ‘hospiteren heb ik altijd al ongelooflijk stom gevonden. Ik ga het voortaan net als jij doen. Sodemieter op met dat neppe gedoe.’

Ze lacht. Ik lach mee.

Zal ik opbiechten dat ik geen idee had dat ik kwam solliciteren naar de kamers? Het meisje wenst me een goede terugreis en sluit de deur.

Ik slik de woorden in. Soms kun je beter zwijgen.

8 augustus 2017 Er was eens

Handschoenen

Jongetje: ‘Papa, ik heb het koud… ik wil mijn handschoenen.’

Vader: ‘Nee, tijdens trainen dragen we géén handschoenen, daar word je groot van.’

Grootvader: ‘Jij was ook altijd zo’n watje.’

Vader: ‘…’

Jongetje: ‘Toch wil ik mijn handschoenen. Ik heb het koud!’

Vader: ‘Wil jij mee naar het EK, Jesper? Wil jij dat? Weet je nog wat we hebben afgesproken?’

Jongetje snift: ‘Ik heb het zo kouhoud.’

Grootvader: ‘Nul verschil. Ook altijd piepen.’

Vader: ‘Jesper, nu ga je voetballen, als een echte bikkel. Geen handschoenen!’

Grootvader: ‘Hard zijn nu, je dreigementen waarmaken he!’

Jongetje: ‘Ik trek ze aan hoor!’

Vader: ‘Nee Jesper, bikkelen, strijden op het veld. Daar hoort kou bij, jongen! Geen handschoenen, anders geen EK.’

Grootvader: ‘Zal mij benieuwen.’

Jesper pakt handschoenen en trekt ze aan: ‘Ga maar met opa naar het EK.’

Vader: ……

Grootvader: ‘Twee druppels water.’

 

 

 

 

 

3 augustus 2017 Er was eens

Op slot

‘Ja! Een man!’

De man voor me kijkt achter zich. Geen andere mannen, alleen ik. Ze bedoelen hem.

‘We krijgen dit fietsslot niet open. We hebben sterke handen nodig.’ De drie meisjes kijken hem hoopvol aan.

Heel even blijft de man op dezelfde stoeptegels staan tussen bar en fiets, alsof hij hoopt dat als hij zich niet verroert, ze hem alsnog niet zullen zien. Maar dan schuift hij toch tussen de fietsen en buigt zich over het onwillige slot. De meisjes, studentes vermoed ik, worden stiller en kijken gespannen op zijn vingers.

Ik herken het slot. Van heel lang geleden. Eraan morrelen en trekken heeft geen zin. Dat ontdekt de man nu ook, hij schudt zijn hoofd. Het lukt niet.

‘Zal ik het eens proberen?’

De meisjes kijken op. De man doet een stap naar achteren.

‘Ja…’ Het klinkt aarzelend, ze geloven niet dat ik verschil kan maken. ‘Jullie zijn te wild’, zeg ik als een volleerd betweter. Het sleuteltje, krom intussen, hef ik iets naar boven. Met een doffe klik schiet de beugel van het slot open. De meisjes juichen. Ik stilletjes ook.

‘Ze is van Holland’, hoor ik een van hen zeggen als ze na het uitvoerige bedanken op hun fietsen stappen.

Ze fietsen weg.

Ik kijk naar de steeds kleiner wordende achterlichten. Deze straat lijkt oneindig.

De man is er ook nog. Heb ik zijn ego aangetast? Of juist een dienst bewezen? Ik heb geen idee wat er in hem omgaat.

‘Nu maar hopen dat je haar eigen fiets hebt gestolen.’ Hij lacht om zijn eigen grap. Ook ik moet lachen.

Een egoïstische dienst dus.

Laten dat nou de beste zijn.

 

 

2 augustus 2017 Er was eens

De yoghurt

De yoghurt is weg. En het fruit. Ook de koeken liggen niet waar ze de vorige keer lagen.

Ik ben van slag.

Want deze vijf minuten zijn van seconde tot seconde volgepland en besproken. Een zoektocht past daar niet in.

‘Waar is de yoghurt?’ vraag ik. Mijn stem klinkt al weken alsof ik elke moment in huilen kan uitbarsten. Dat komt door astma. Maar dat weet de man niet.

Hij komt dan ook met geschrokken gezicht achter de toonbank vandaan en loopt voor me uit. ‘Ik heb alle ontbijtjes bij elkaar gezet.’ Hij klinkt trots, maar dat gevoel verandert zichtbaar als hij mijn blik ziet. ‘Vond het een goede plek…maar..eh..’ mompelt hij. Hij friemelt aan zijn das. Ik open de vitrine en moet op mijn tenen staan om de yoghurt te kunnen pakken.

‘Oh.. lukt het.. ik..tja..’ Hij schraapt zijn keel en kucht. Hij sluit de glazen deur van de vitrine als ik klaar ben en loopt terug naar zijn plek achter de kassa.

‘Anders nog?’ Hij kijkt me niet aan. Ik schud mijn hoofd.

‘Ik vond het een goede plek’, zegt hij nog een keertje. Ik heb zin om te oogrollen, maar doe dat niet. Ik ben geen 14 meer.

‘Ik ben een beetje uit mijn humeur’, mompel ik. Hij veegt wat denkbeeldige kruimels weg. ‘Dat kan gebeuren.’

Bij de deur bots ik bijna tegen de declamerende zwerver op. ‘Ja sorry hè’ roept hij me achterna. ‘Maar mevrouw, u had het kunnen weten! Ik sta altijd op deze plek!’

Komt door de yoghurt, wil ik hem zeggen. Maar die seconden heb ik niet over.

Volgende keer misschien.

 

 

 

1 augustus 2017 Er was eens