Uit 't Copy van Clason

Fictie, denk ik

Zijn labjas draagt een naamplaatje dat bij de randen wat beschadigd is. Zijn haren zijn kort geknipt, evenals zijn nagels. De handschoenen zijn kwetsbaar, lange nagels zijn funest. Zijn bril zakt steeds verder naar het puntje van zijn neus.

Of nee. Geen bril. Hij draagt geen bril.

Hij vult de gegevens in op de computer. Schuift wat met de wielen van zijn stoel over het linoleum. Dat doet hij vaker. De vele strepen op de vloer zijn het bewijs.

‘Ga je zo mee lunchen?’ wordt er geroepen. De rest is al klaar. Hij moet nog een paar cijfers aan de tabel toevoegen. Een paar dingen nog. ‘Ik ga mee, geef me een minuut!’ roept hij.

Hij hoopt dat de kantine vandaag kroketten heeft. Dat is nog maar één keer in de week. De health freaks nemen zijn wekelijkse genoegen steeds meer uit handen. Afdeling communicatie heeft er nog een schepje bovenop gedaan. Interne campagne, samen met HR. Tegen ziekteverzuim, tegen te vroeg sterven.

Een grotere onzin kan hij niet bedenken. Het ligt allemaal al lang en breed vast. Dat ziek worden. Het staat in de genen geschreven. Ziek of niet ziek.

Hij schudt zijn hoofd, haalt zijn schouder langs zijn kin, zijn stoppels jeuken. Niet vergeten straks even naar huis te appen of iemand scheerschuim voor hem wil halen.

De laatste komma’s en punten.

‘Kom je nou?’

Hij klikt op verzenden. Het gen-onderzoek is afgerond. Het ziekenhuis kan ermee aan de slag. Hij kent slechts de nummers van deze persoon. En dat is maar goed ook.

‘Ik hoop dat er kroketten zijn!’

Niemand hoort hem. Ze zijn al door de klapdeuren.

 

8 januari 2019 Er was eens

Beginnersfouten

Het is niet koud voor de tijd van het jaar. Dat hoorde ik op de radio zo-even. Toch voel ik ijs in de lucht en protesteren mijn longen. Vochtige kou vinden longblaasjes niet aangenaam.

Ik hoest in mijn sjaal. Ze staat naast me en moppert nu en dan over het spel van de elfjarigen. ‘Ah nee… Kadir! Naar voren, naar voren!’ Ik huiver als ik naar haar voeten kijk. Ze draagt dunne slofjes, sokken bijna, haar schoenen liggen nog in de auto.

Die auto, die hield ermee op. Ze had een sleepdienst moeten bellen en was wandelend naar het voetbalveld gekomen. De garage is dichtbij.

Op tijd bij de wedstrijd zijn is belangrijker dan warme voeten hebben.

Ik kan het spel niet volgen omdat de glazen van mijn bril wederom beslagen zijn. Het is mijn eerste, echte bril ooit. Beginnersfouten genoeg.

Ze pakt mijn arm. ‘Zag je dat?! De scheids is mis!’ Ik schud mijn hoofd, ik zag niets.

‘Mijn glazen…’ leg ik uit. Ze buigt zich naar me toe, mijn zicht maakt haar gezicht wazig. ‘Je ademt te veel in je sjaal’, concludeert ze, ‘zo maak je zelf mist.’ Ze lacht om mijn verbazing en langzaam zie ik haar vrolijke ogen achter haar brillenglazen verschijnen.

‘Recht voor je uit ademen!’ coacht ze, haar hand nog steeds op mijn arm. Ik doe wat ze zegt. Ze knijpt even. ‘En nog heel, heel lang blijven ademen’, fluistert ze bijna, haar ogen op de wedstrijd gericht.

Een prima tip om de week mee te beginnen.

7 januari 2019 Er was eens

Constante factor

De honden weten dat het tijd is. Stuk voor stuk kijken ze naar het meisje achter de bar. Ze rommelt nog wat, haalt een lapje over de tap. Ze bukt zich en pakt de trommel.

De honden gaan staan en kwispelen voorzichtig.

Op haar gemak wandelt het meisje van tafel naar tafel. Maakt een praatje met een gast en deelt een snack uit aan de bijbehorende hond.

Het is geen uniek traktatiemoment, ze doet dit elke ochtend. Dat weet ik, want ik logeer al een paar dagen in dit strandhotel waarin een eigen getij de dag bepaalt.

In de vroege ochtend arriveren de strandwandelaars met hun viervoeters. Na half 10, en de traktatie, verdwijnen de honden en komen er kleine kinderen met hun begeleiders voor in de plaats. Tegen 11 uur verschijnen de dassen en mantelpakken. De dragers van deze kledingstukken beginnen met koppen koffie en eindigen vrijwel altijd met een uitgebreide lunch. Deze middag is er bingo. Gisteren oefende het koor. Vanavond komen de muzikanten want elke donderdag is er een jamsessie.

Ik ben de constante factor in het geheel. De spelers op het toneel wisselen.

Ik niet.

Ik verander enkel van tafel en doe dat in nauw overleg met de bardienst. Want zolang je meedeint op het ritme, mag je hier heel de dag zitten. Al drink je maar een kopje koffie of duik je elke avond ladderzat je hotelkamer in. Dat maakt niet uit. Als je maar niet tegen de stroom ingaat en nu en dan van tafel wisselt.

De honden kijken verlangend naar buiten. Ze weten dat het meisje niet meer terugkeert met de trommel. De eerste peuter zwalkt zoals alleen peuters dat kunnen aan de hand van haar moeder naar binnen.

Ik verhuis naar de tafel bij het raam, stop oortjes in mijn oren en schrijf.

Nog een paar uur voor de bingo begint.

 

 

17 december 2018 Er was eens

Alter ego

Terwijl ik met haar praat, gebeurt het.

Ik schuif op om plaats te maken voor de interviewer die in me huist. Deze vrouw strekt haar armen uit, knakt haar vingers, buigt haar hoofd van links naar rechts, en begint.

Ze stelt vragen. Ze voelt welke deuren gesloten zijn maar wel open mogen, ze morrelt voorzichtig aan sloten en weet bij welke deur ze een heel klein stukje door de kier mag zien.

Ze vraagt. En vraagt.

De persoon heeft niet altijd door dat ik de interviewer werd. En toch gebeurt het steeds.

Ook als het niet het moment is. Vanwege plaats of tijd. Of omdat de kinderen of anderen die me lief zijn me niet als interviewer wensen. ‘Je interviewt weer! Of stop ermee!’ is wat mijn alter ego laat verdwijnen.

Ik denk dat de interviewer er altijd al was. Als kind al waren we met z’n tweeën. En dankzij haar vond ik de mooiste verhalen. Meestal beschrijf ik ze. Zoals hier. Of hier. Sommige verhalen zijn voor mij alleen.

En ik weet na al die jaren één ding zeker: iedereen heeft een verhaal. Een verhaal dat je soms verrast, of waarvan je pas na goed luisteren begrijpt wat je eerder al voelde maar toen nog niet wist. Het is het cliché van een puzzelstuk op de juiste plaats leggen.

Die woeste blik? Enorme stress vanwege een hulpbehoevend familielid. Die arrogantie? Verlegenheid achter een beschermend masker. De op elkaar geklemde kaken? Ingehouden boosheid van jaren en jaren.

Nu ik bijna 25 jaar professioneel interview, zoek ik een manier om de verzamelde verhalen in een mal te gieten anders dan mijn blog. Mijn alter ego juicht van enthousiasme. Ik moet het allemaal nog maar eens zien.

Wordt vervolgd.

 

 

 

13 december 2018 Er was eens

Naar de zon

De rode stoelen in de bus zijn bestemd voor ouderen én voor kinderen. Het bewijs dat het leven inderdaad een cirkel is en dat je uiteindelijk met de jeugd op hetzelfde punt staat. Zij aan het begin. Jij aan het einde.

Allebei een rode stoel.

Ik zit echter nog op de blauwe stoel. Een wat rare plek, want ik kijk op de kruin van de oudere man die voor me zit. En op zijn telefoon. Dat probeer ik, heus waar, niet te doen. Maar ik ben zwak. Misschien kom het ook doordat de man ontzettend blij is met degene die hem via FaceTime belt.

Een groot gezicht aan de andere kant plakt zijn wangen in liefde tegen het glas. Vader en zoon? Broers? Ik kan hun taal niet verstaan, maar ze begroeten elkaar vol blijdschap. Dan verandert het scherm in de weerapp die ik herken. Almere, zie ik. Regen. Koud. De app klopt.

De man in de bus moppert en klikt de weerapp weg. Ze praten overduidelijk over het weer. De ander grijnst breeduit. Zijn armen, buiten beeld weliswaar, doen mee aan het gesprek. De busman klikt het beeld weer weg. Een andere weerkaart nu. Ik kan de naam niet lezen. Wel zie ik 28 graden. En zon.

De busman roept het uit en de man in het warme land lacht hartelijk. Nu kijken ze weer naar elkaar. Ze keuvelen wat, soms een uitroep en ik kijk mee. Tot ik ineens besef dat ook ik in beeld zit. Ik kijk snel naar buiten. Zoals een goede spion betaamt, heb ik volledig mijn halte gemist.

Als ik uitstap speelt de wind met mijn sjaal. Regen. Koud. De app heeft niets gelogen.

De busman reist verder. Als het kon naar de zon.

Dat weet ik bijna zeker.

2 december 2018 Er was eens

Van de lucht

‘Ik word almaar dikker.’

‘Ja dat zag ik al.’

‘Vroeger kon je zeggen dat je zwanger was. Haha.’

‘Haha.’

‘Nu niet meer.’

‘Nee, dat kan niet meer.’

‘Maar goed. Daarom ga ik niet in de sauna. Geen zin in mijn lijf. Weet je wel.’

‘Ja, dat snap ik wel.’

‘Begrijp er niets van eigenlijk.’

‘Dat je dikker wordt?’

‘Ja. Daar begrijp ik niets van.’

‘Nou…’

‘Oh ben jij nou in ene diëtiste?’

‘Nee joh.’

‘Misschien hoort dat erbij. Na je zestigste. Hoe oud ben jij ook alweer?’

’58.’

‘Ja dan komt dat nog hoor. Wacht maar af. Dan kom je aan van de lucht.’

‘Misschien ken je wat minder eten.’

‘Ja. Dat zal wel moeten. Ik kan misschien es beginnen met me gebakkies over te slaan. Misschien is elke dag een gebakje net wat veel.’

‘Ja dat zou kennen.’

‘Kunnen. Het is kunnen. Dat zou best weleens kunnen.’

28 november 2018 Er was eens

De dames van de dinsdag

Lopendebandwerk. Stap, stap, stap….almaar sneller, ritmischer. De muur komt echter niet dichterbij, ondanks de meters die passeren.

De vrouwen voor me kan ik hierdoor niet inhalen. Hun fysieke inspanning brengt ook hen geen centimeter dichter naar de muur. Naar waar dan ook. Hun fietsen blijven op dezelfde plek.

Ze zijn luidruchtig vandaag, deze vrouwen, allemaal in verschillende tinten roze gekleed. Dresscode of toeval? Ze fietsen ieder in een eigen tempo. Omdat ze ietwat gebogen zitten, kan ik hun lijven door de shirts heen zien. De een graatmager. De ander voller, ronder.

Hun leeftijd ligt tussen de 70 en 85. Dat weet ik zeker, want ze roepen hun behaalde jaren regelmatig naar elkaar: ‘Ben ik daar 75 voor geworden?’ ‘Ach broekie, wacht maar tot je 82 bent!’

Ik houd een beetje van ze. Deze dames van de dinsdag. Ze zijn er elke week en kleuren mijn ochtend hier zo rennend een stukje mooier. Roze, vandaag letterlijk.

Hun fietstocht is ten einde. Met z’n tweeën helpen ze de middelste dame om af te stappen. Ze geven haar de wandelstok aan die tegen de muur stond te wachten. Slaan de handdoek om haar schouders en lopen dan al roepend, mopperend en lachend naar de hoek van de fitnesszaal.

De dames van de dinsdag tonen me onbedoeld een toekomst met een roze randje. Rooskleurig.

Ja, ik houd een beetje van ze.

 

 

 

 

27 november 2018 Er was eens

Het elfje

Bijna struikel ik over een elfje. Ze komt tot mijn knieën en kijkt met waterige blik naar boven. Ze heeft haar mond een beetje open, zoals kinderen dat doen als ze altijd verkouden zijn, haar haar staat alle kanten op.

Ze kijkt me niet meer aan en mompelt wat in zichzelf. Of zingt ze? De jas die ze draagt is groot, ruimschoots te groot, gekocht in de hoop dat dit mensje binnenkort wat langer zal worden. Bij haar voeten staat een mand vol spullen uit deze winkel. Een opmerkelijke collectie: ansichtkaarten, inpakpapier, sokken maat 38…

Ik kijk om me heen. Waar is haar gezelschap? Niemand te zien.

Het sprookjesfiguurtje legt ondertussen de koopwaar uit de mand op de grond en pakt gekleurde elastiekjes uit het rek. Ze kijkt opnieuw naar me als ik haar vraag waar haar moeder, vader, opa of oma is.

Ik stel te veel vragen zie ik aan haar grote ogen. Ze rochelt een hoest die meer bij de wolf van Roodkapje past dan bij haar, en stopt alles terug in de mand.

‘Weg!’ gebiedt ze me. Ze wijst naar waar ik volgens haar maar het beste naartoe kan lopen. ‘Weg! Weg!’ Het klinkt niet boos of angstig. Resoluut eerder. Ze is duidelijk klaar met pottenkijkers. Ik moet lachen, maar knik in plaats daarvan braaf en vertrek.

Een gang verder staat de moederelf. Ook haar jas is vele maten te groot. Ze mompelt iets. Of zingt ze? In haar mand liggen kleine babysokjes. En een kerstmuts.

Ze kijkt me aan maar ziet me niet echt. Voordat ook zij me uit wandelen stuurt, loop ik snel verder.

Want soms heb je maar een keer een hint nodig om de boodschap te begrijpen.

23 november 2018 Er was eens

Boomtoppen

De bomen zien me hier liggen, op de matras achter in de auto.

‘We waren in Den Haag. Bij de zee. Ik zwom niet’, fluister ik tegen ze.

De bladeren en takken vervormen. Papa rijdt harder nu. Naast me ligt mijn zusje. Of ze slaapt weet ik niet. Ze ligt met haar rug naar me toe.

We zijn bijna thuis. Dat zie ik aan hoe de toppen van de bomen van links en rechts zich nu naar elkaar toe buigen, elkaar boven mijn hoofd aanraken en zo een groene bladertunnel vormen.

Wist je dat ze elkaar daar begroeten? Terwijl wij auto’s door hun tunnel rijden? Luister maar.

‘Goedenavond meneer, goedenavond mevrouw. De zon gaat bijna onder. Kijk, daar beneden. Daar komt Marianne terug van een dagje strand.’

Dag boomtoppen, ik ben bijna thuis. Ik gaap en zie het groen nu door mijn wimpers. Het is moeilijk een reis lang wakker te blijven. Maar ik rijd mee tot bijna aan de voordeur. Mama en papa denken dat ik slaap, dat zij slaapt. Ze praten zacht. Het is fijn dat ik nog wakker ben.

Als het groene hemeldek in de roze avondlucht verandert, rijden we nog een keer naar rechts. En een keer naar links.

Dag boomtoppen, mompel ik tegen de schouder van mijn vader. Hij tilt me naar boven. Ik slaap.

 

21 november 2018 Er was eens

Het verwijt

Ik denk vaak dat als ik iets negeer, dat het dan vanzelf wel weer goed komt.

Zo negeer ik al een lange tijd een almaar heviger borrelend gootsteenputje. Elke keer als ik iets omspoel of mijn handen was, pruttelt uit de onzichtbare buizen een verwijt.

‘Ja, hallo, hiero! Hier hoor je het begin van een rioolprobleem. Wat? Je negeert dat? Zeg! Een probleem had dit niet hoeven zijn als jij je aan de wijze raad had gehouden. Die raad dat je geen vetten en oliën zou doorspoelen. En wat dacht je van de koffiedrab? De rijstkorrels? De halve sperziebonen enzovoort, enzovoort?’

Ik droog mijn handen af en kijk naar het water dat langzaam verdwijnt. Een laatste vloek uit het putje, meer een boer, en het gevaar is geweken.

Voor even dan. Ik denk dat negeren niet meer helpen zal dus zoek ik behalve een ontstopper ook maar alvast het nummer op van die twee mannen die hier al vaker zijn gekomen om geld te verdienen aan mijn slechte rioolbeleid. De laatste keer was het een toiletblok. De keer daarvoor te veel vet.

De prijs kan mee- of tegenvallen. Hangt af van de opstopping, verstopping. Ze sluiten een soort stofzuiger op het systeem aan, draaien kranen open en dicht, en floep. De boel doet het weer.

Ik zet de ontstopper als dreigement naast de wasbak. Ik spoel een appel en het putje zwijgt.

Kijk. Negeren met wat hulp kan ook. Ik draai me om en neem een hap. Achter me klinkt een zachte, borrelende berisping.

Nooit te vroeg juichen. Nooit.

16 november 2018 Er was eens