Uit 't Copy van Clason

Rare dagen

Ik vind de grijze vlammen in mijn haar best te doen. Misschien komt dat ook omdat de zon schijnt. Of omdat er ergere dingen zijn dan grijzer worden.

Want zo vanzelfsprekend is dat niet meer.

Het blijkt overigens dat mijn haren net zo snel groeien als de hangplantjes die ik aan het begin van het moeten thuisblijven kocht.

Zo let je op dingen waar je voorheen nooit aandacht voor had.

Hier in de straat komen mensen ietwat meer uit hun huizen. Nu eens niet om te klussen, schuren en boren. Ze maken een praatje, op meer dan anderhalve meter afstand overigens. Luidkeels overbruggen ze de meters.

‘Rare dagen zijn het!’

‘Hè?’

‘Raar!’

‘Ja!’

Uitgepraat. De kinderen van deze straat slalommen ertussendoor. Spelen the floor is lava met de weinige mensen die ze tegenkomen. Niet aanraken. Niet in de buurt komen. Jongere broertjes of zusjes worden gillend door hen net op tijd bij niet-huisgenoten weggetrokken.

Voor mijn deur zit een kat. Waarschijnlijk gevlucht voor zoveel rumoer in zijn huis. Vlinders dagen hem onbedoeld uit, hij kijkt er alleen maar naar.

Het middaguur is voorbij. Kinderen gaan morrend terug naar hun onlinelessen. Volwassenen sluiten deuren en de wereld weer even buiten.

De kat rekt zich uit, wandelt naar het midden van de straat en gaat er liggen.

Dat kan makkelijk. Alle ruimte.

Totdat de lessen voorbij zijn  Of tot het eerstvolgende busje van PostNL.

Als je goed luistert kun je hem horen spinnen.

Heel zachtjes.

 

 

 

 

21 april 2020 Er was eens

De zanger

Hij heeft zijn handen in de zakken van zijn zwarte pantalon. Een zonnebril op zijn neus. Wit overhemd aan.

Als ik het niet wist zou ik kunnen denken dat hij kelner was. Bij een kroeg op het Leidseplein. Of Rembrandtplein. Maar dat is hij niet.

Van deze afstand ziet hij er ook uit als een jonge versie van een bekende volkszanger die er niet meer is. En dat is hij wel. Een zanger. Voor bruiloften en partijen.

Dat weet ik vooral van horen zeggen. Zijn studio is inpandig maar stil. Op deze afstand dan.

Nu staat hij daar. In kelner slash bühnekledij. Zijn handen nu op de reling. Hij kijkt de lege straat in en praat luid tegen zijn eega die achter hem met plantjes rommelt. Zijn monoloog is een optreden, voor ons, de mensen in hun tuinen. Hij begint zelfs een beetje te zingen.

Niemand doet mee.

Ze kapt hem af, hij moet een bloembak tillen. Hij buigt zijn hoofd tussen zijn schouders; een buiging naar het publiek dat niet een kaartje voor hem kocht.

Niemand klapt.

Hij rolt zijn mouwen op, klaar om te sjouwen. Neuriet nog wat van het refrein.

Vanuit huis werken is ook voor een zanger niet zaligmakend.

Zelfs niet als er een podium is.

20 april 2020 Er was eens

Maar goed

‘Het is maar goed dat ze dit niet meer hoeft mee te maken’, zegt ze terwijl ze wat achter me in de verte kijkt. Ik heb deze zin vaker gehoord de afgelopen dagen. En ook zelf over nagedacht. Maar goed dat hij niet nu ziek werd. Maar goed dat zij niet nu moest worden geopereerd.

Maar goed.

Eigenlijk wil ik natuurlijk veel liever wél dat ze er nog zijn. Dat ze deze thuisblijfdagen wel kunnen meemaken. Net zoals zij? Ik vraag het haar niet.

Ze wrijft over haar bovenarmen. Het wordt wat frisser zo tegen zes uur.

‘Komt ook door het niet meer vliegen, dit mooie weer’, vertelt ze. Ik knik. Hoewel ik niet zeker weet of ze dat ziet zo op deze afstand. Dus zeg ik snel: ‘Ja, dat las ik ook. ‘

Ze haalt de post uit de brievenbus, want daarom komen we elkaar heel even tegen, en leunt tegen de auto. ‘Mensen ruimen de hondenpoep niet meer op.’ Ze wijst naar de stoep.

Ik zie de drol ook liggen. Misschien wordt de hond wel alleen uit wandelen gestuurd. Hoewel, ook voor 15 maart moest je uitkijken waar je liep. Dat is dan in ieder geval niet veranderd.

‘Nou ja, bijna niemand komt hierlangs, dus erin trappen gaat niet gebeuren’, lacht ze zonder vrolijkheid. ‘Ieder nadeel heb…’ Ze onderbreekt zichzelf met een zucht.

Het praatje is over. We weten allebei niet veel meer te zeggen en lopen ieder naar onze eigen voordeur, aan weerszijden van het hek.

Ze steekt nog even haar hand op. Heel hoog. Een groet naar mij zo boven het hek uit.

Of naar degene die het niet meer kan meemaken allemaal.

Ik denk dat ik het antwoord weet.

 

17 april 2020 Er was eens

De jurk

Nee.

Ze weigert. Die jurk kan ik op mijn buik schrijven. Op mijn buik leggen eigenlijk.

Ik mag de jurk over mijn grote hoofd wurmen, mijn armen proberen door de mouwtjes te steken en de roesjes tot net boven mijn navel laten walsen. Ik mag zelf ervaren dat de stof kriebelt, de glitters ronduit belachelijk zijn en dat de mouwtjes knellen.

Ze zegt dat niet.

Ook zonder uit te spreken weet ik dat ze me dit opdraagt.

Zelf doen werd zelf weten. Zelf beslissen.

Ik strijk de stof glad terwijl ik naar het zelfstandige wezen kijk dat drie jaar geleden uit mij is gekomen. Haar haren alle kanten uit. Een voetbalshirt om haar lijf, zo groot dat haar schouder er bijna uitpiept.

Ik streel met mijn wijsvinger over de lovertjes. De kantjes.

Ze doet een stap dichterbij. Houdt haar knuffel tussen ons in, een zachte buffer.

‘Geen jurk? zeg ik zonder hoop.
‘Nee, mama. Nee!’

Ik geef me gewonnen en hang het kledingstuk terug aan de hanger. Ik draai ermee; de rok zwiert van links naar rechts. Een dansende jurk zonder draagster.

Achter me babbelt ze tegen haar knuffel terwijl ze een paarse joggingbroek aantrekt. Met triomfantelijke blik kijkt ze naar zichzelf. Het oranje voetbalshirt is de kers op de outfit.

‘Nee mama!’ zegt ze nogmaals en wandelt nuffig weg.

Ik draai een trage pirouette met de hangende jurk tegen me aan.

Dansen kan ook in joggingbroek.

 

16 april 2020 Er was eens

Gered

Ga zelluf stil zijn! roept het buurmeisje. Ze heeft haar handen in haar zij en stampt met haar voeten. Haar schouders trekt ze nog hoger op en zucht dan zo luid als een diepe zucht kan luiden.

Wie zelluf stil moet zijn is voor mij onzichtbaar. Wel hebben haar woorden effect: ik hoor niks.

Het meisje staart naar haar voeten en praat zacht in zichzelf. Ze slentert weg van haar eigen deur en hoe dichterbij ze komt, hoe beter ik haar kan verstaan.

‘Altijd.’

‘Iedereen.’

‘Stom.’

Ze snift er een beetje bij.

Vlak bij mij, maar nog wel op een keurige zelfs drie meter afstand, laat ze zich door haar knieën zakken en zit op haar hurken.

Tussen haar voeten ligt iets dat haar aandacht heeft.

‘Zijn je vleugels moe?’

Ze zwijgt en buigt zich nog iets meer naar voren.

‘Ben je dood?’

Haar schouders schokken licht.

‘Je leeft nog!’ Ik hoor de opluchting in haar stem. Ze pakt de gewonde op en zet hem op haar handpalm.

Een bij? Een hommel? Een lieveheersbeestje?  Ik kan het niet zien.

‘Ik ga jou redden’, zegt ze resoluut. Ze staat voorzichtig rechtop, houdt haar hand voor zich uit en zet kleine stappen terug naar huis.

‘Mammaaaaaaa’, kondigt ze luidkeels het ziekenvervoer aan. ‘Mammaaaaaaaaaaaaaa!’

Haar sirene galmt boven de daken uit.

Hé, in nood kun je immers niet altijd stil zijn.

Zelfs zelluf niet.

 

7 april 2020 Er was eens

Dag zeggen

Nooit weggaan zonder afscheid nemen. En zeker niet met ruzie. Mijn moeder was er stellig in. Woorden in de ochtend? Eerst uitpraten, dan pas weg. Ik werd er als puber tureluurs van. Bokkig een halve omhelzing, een traan, een kus. En snelheidsrecords op de fiets breken zodat ik niet langs de rector moest.

Ik weet haar regels aan het feit dat ze opgroeide in de oorlog. Dat ze mensen daardoor plots had moeten missen. Of omdat ze gewoon bangig was. De geijkte, invoelende gedachtes van een puber met een eigen leven.

Toen werd ik moeder. Dag zeggen werd belangrijker dan begroeten. Ruzies eerst beslechten, dan pas naar school. In razernij weg? No way.

De zelfgemaakte pubers worden er tureluurs van. Zij wijten het aan mijn angstige inborst. Mijn overbezorgdheid. Mijn te grote fantasie als schrijver.

Ze erfden het puberale talent om in te kunnen voelen.

Ik moet deze dagen steeds denken aan de laatste keren dat ik mensen zag. En hoe treurig het me ook maakt dat ik niet even bij hen langs kan gaan, ben ik blij dat ik mijn moeders gewoonte ook de mijne heb gemaakt.

Ik gaf hen een omhelzing. Een kus. Draaide me om, en zwaaide nog eens.

En nog eens.

6 april 2020 Er was eens

Spieren vergeten nooit

Niemand ziet me. Ik houd de stoel vast. Strek mijn tenen uit.

Ik kan het nog.

bras allongés

tendu arreté

 1e positie, 2e positie, 5e positie…

 Demi-plié

 Battement

 Développé

 Moest ik thuisblijven om te ontdekken dat spieren nimmer vergeten?

Na mijn vijftiende vertikte ik het om nog klassiek ballet te doen. Blessures hielden me van een droom af. Dus waarom dan nog mezelf boos maken met dansen?

Ik stopte.

Ik dans nog beetje rond een step op de sportschool. En ballet werd om naar te kijken, altijd met heimwee.

Tot ik vorig jaar een 76-jarige ballerina interviewde. ‘Pak het weer op’, zei ze me. Ze danste door de zaal. Ik was betoverd en beloofde erover na te denken. In mijn herinnering hadden we beiden tranen.

Dans alsof niemand je ziet. Never stop dancing!

Vanaf de eerste dagen thuis moeten blijven, houd ik me aan deze mantra’s. En dans ik met een geweldige balletdocente op afstand.

En met mijn 34 jaar jongere ik.

We weten de namen nog. De bewegingen. We vloeken soms. We lachen ook.

En mijn hoofd leg ik weer op mijn knieën.

Zomaar.

Met een beetje mazzel dans ik na deze crisis zo de deur uit.

 

 

3 april 2020 Er was eens

De zeemeerman

Ik zie zijn schaduw eerder dan de man zelf. Ik kijk op en zie een rug, benen.

Het is een man op leeftijd. Een bruine huid, gerimpeld. Maar door deze laag zie je zijn spieren. Zijn witte haar is het enige dat licht en fragiel lijkt.

De wind speelt er vrijpostig mee.

De wandeling van de man stopt in de branding, daar waar mijn kind speelt. Heel even kijkt de jongen naar de oude man die op een kleine afstand naast zijn zandkasteel is gestopt.

Kaarsrecht staat de wandelaar, zijn hand boven zijn ogen tegen de weerkaatsing van het zonlicht. Dan kraakt hij zijn nekwerkvels door zijn hoofd eerst op zijn linker- en dan op zijn rechterschouder te laten rusten.

Hij strekt zijn armen uit, bolt zijn rug en raakt als een jonge atleet zijn tenen aan.

Het kind zwaait naar mij. Ik zwaai terug.

De man is klaar met de fysieke voorbereiding en wandelt in één rechte lijn, rustig, zoals hij ook over het strand liep, het water in. Steeds verder, steeds dieper. Tot ik alleen nog maar zijn armen zie.

De wandelaar wordt een zwemmer en verdwijnt met rustige slagen in de zee.

Hij is geen toerist zoals ik, dat durf ik zomaar te beweren. Toch kijk ik even om me heen. Wie hoort bij hem? Waar zijn zijn spullen? Zag de strandwacht verderop dat hij aan het zwemmen is?

Het kind duikt naast me in het zand.

‘Zag je die meneer?’ vraag ik hem.

Hij kijkt achter zich.

‘Die zwemmende meneer?’ leg ik uit.

‘Oh’, zegt hij terwijl hij het zand als een zandloper uit zijn vuist laat lopen.

‘Dat, mama, was geen meneer’, antwoordt hij.  ‘Dat was nou een echte zeemeerman.’

Hij knikt er tevreden bij.

Ik kijk naar de zwemmende stip aan de horizon. Verder en verder weg. Ik blijf turen, hem in de gaten houden. Net zolang tot hij weer aan land komt.

Want zelfs zeemeermannen moeten soms weer naar huis.

Met of zonder hulp.

 

25 maart 2020 Er was eens

Omhelzing op afstand 2

Ervaring heeft niets te maken met het kunnen thuis werken of niet.

Dat geldt tenminste voor mij. Een ervaren thuiswerker.

Ik hoef niet eens een bureau leeg te ruimen of te werken met laptop op schoot. Ik hoef geen plek op te eisen of te delen met wie dan ook.

Ik heb een eigen werkkamer.

Een kamer met een roze muur. Een zwarte kast vol boeken. Twee tafels. Een laptop. En een ergonomische bureaustoel.

Natuurlijk, ook in de achttien jaren als zelfstandige waren er wel vaker dingen die onverwachts veel meer de aandacht vroegen dan een websitetekst of bladformule. Veelal zaken die te maken hadden met het hart.

Maar nu dit. Dit is compleet anders.

De stilte buiten waardoor je plots zoveel vogels hoort. De hemel zonder vliegtuigstrepen. Nauwelijks verkeer in de straat. Geen rumoerige jongeren die net terugkomen van het stappen. Je best doen om op tijd een stap naar achteren te zetten, als een ander te dicht nadert. Voldoen aan dagelijkse beweging om andere gezondheidsperikelen te voorkomen.

Afijn. Het is een ander werkdecor.

En ondanks ik een eigen plek heb, ben ik het liefste zo dicht als in sociale afstand kan bij hen die ik liefheb. Omdat anderen die ik ook zo graag bij me wil hebben, zo ver weg zijn.

Mijn kamer voelt eenzaam. Te stil. Te onbenullig. Ja, ik heb werk. Afleiding. Mooie gesprekken.

Maar echt druk ben ik met iets anders.

Ik ben steeds aan het omhelzen op afstand.

Jou. En jou. En jou natuurlijk ook.

19 maart 2020 Er was eens

Omhelzing op afstand

Ik vergat haar verjaardag.
Zomaar.
Ik staar in shock naar de datum. Drie dagen te laat.
Drie hele dagen!
‘Ons gebouw is coronavrij’, las ik deze ochtend in een advertentie.

Mijn hoofd is allerminst vrij. Daar past niet eens het herinneren van een verjaardag bij. Tot de rand toe gevuld met zorgen.

Maar ik vergat háár verjaardag.
Een van de liefste.
Ik maak het goed, beloofde ik.
Ze zei: stop hiermee, wij zijn vriendinnen, daar heb je geen verjaardagen voor nodig. Love you.

Lieve A.

Ik van jou. Gefeliciteerd met je verjaardag.
Dat we maar lang elkaar zo liefhebben als de afgelopen 28 jaar.

Geheel coronavrij.

Omhels je op afstand.

18 maart 2020 Er was eens