Uit 't Copy van Clason

16 maart 2017 Er was eens

Warme straat

‘Als je op je buik ligt, kun je zien dat het boven de weg trilt’, zegt ze. Ze ligt languit, haar maillot heeft kleine bolletjes. Dat zie ik omdat ik zo dicht bij haar lig. Die pluisbolletjes heb ik ook op veel maillots. Je kunt ze er een voor een afhalen. Wel voorzichtig. Als je het te ruw doet, krijg je een gat.

Ik draag een korte broek vandaag. Als je goed kijkt heb ik op mijn knieën ook een soort bolletjes. Pukkeltjes. Ik krab wat, maar dat doet pijn.

‘Raar he?’ zucht ze. Oh ja. Ik kijk beter en zie nu wat ze bedoelt. Boven de weg trilt de lucht. Dat zag ik al eens toen we barbecueden. Loeihete lucht, pas op. Gevaar. Ze wenkt me dichterbij en ik kom naast haar liggen op mijn buik. Mijn knieën schaven over de straat. Een warme straat.

Ze praat, maar ik word afgeleid door een groot stuk zwart teer. Recht onder mijn neus. Ik duw mijn vinger erin. Het is zacht. Het ruikt ook sterk. Vier vingerafdrukken passen erop. Meer niet.

‘Luister jij wel?’ Ik lieg en knik. Ze legt haar kin op haar handen en zwaait met haar benen heen en weer. ‘Heb je het niet warm met je maillot?’ vraag ik. Ze haalt haar schouders op.

We springen snel overeind want er komt een auto aan. De man in de auto, hij woont een straat verder, rijdt heel langzaam. We pakken onze fietsen en zigzaggen naar daar waar we de lucht zagen trillen. In de verte worden de wolken zwart en hoor ik al wat donderen.

Als het straks regent blijven de druppels in de afdrukken van mijn vingers staan. Dan zijn het kleine meertjes voor mieren. Als die tenminste van baden houden. Ik denk van wel.

Leave a comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.