Uit 't Copy van Clason

2 augustus 2017 Er was eens

Op slot

‘Ja! Een man!’

De man voor me kijkt achter zich. Geen andere mannen, alleen ik. Ze bedoelen hem.

‘We krijgen dit fietsslot niet open. We hebben sterke handen nodig.’ De drie meisjes kijken hem hoopvol aan.

Heel even blijft de man op dezelfde stoeptegels staan tussen bar en fiets, alsof hij hoopt dat als hij zich niet verroert, ze hem alsnog niet zullen zien. Maar dan schuift hij toch tussen de fietsen en buigt zich over het onwillige slot. De meisjes, studentes vermoed ik, worden stiller en kijken gespannen op zijn vingers.

Ik herken het slot. Van heel lang geleden. Eraan morrelen en trekken heeft geen zin. Dat ontdekt de man nu ook, hij schudt zijn hoofd. Het lukt niet.

‘Zal ik het eens proberen?’

De meisjes kijken op. De man doet een stap naar achteren.

‘Ja…’ Het klinkt aarzelend, ze geloven niet dat ik verschil kan maken. ‘Jullie zijn te wild’, zeg ik als een volleerd betweter. Het sleuteltje, krom intussen, hef ik iets naar boven. Met een doffe klik schiet de beugel van het slot open. De meisjes juichen. Ik stilletjes ook.

‘Ze is van Holland’, hoor ik een van hen zeggen als ze na het uitvoerige bedanken op hun fietsen stappen.

Ze fietsen weg.

Ik kijk naar de steeds kleiner wordende achterlichten. Deze straat lijkt oneindig.

De man is er ook nog. Heb ik zijn ego aangetast? Of juist een dienst bewezen? Ik heb geen idee wat er in hem omgaat.

‘Nu maar hopen dat je haar eigen fiets hebt gestolen.’ Hij lacht om zijn eigen grap. Ook ik moet lachen.

Een egoïstische dienst dus.

Laten dat nou de beste zijn.

 

 

Leave a comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.