Uit 't Copy van Clason

13 november 2017 Er was eens

De bakkersvrouw

De auto was ooit van de bakker. Hij was de chauffeur. Zijn vrouw zat op de passagiersstoel. Altijd, want zij reed niet graag. Ze hield zich vast aan de handgreep boven haar deur als hij net iets te fanatiek de bochten nam. ‘Komaan Jacques’, zei ze dan. Hij verontschuldigde zich altijd. Ook als hij vond dat ze geen gelijk had.

Op de achterbank pasten net twee kratten. Een met brood. De ander met gebak. Elke zaterdagmiddag bracht hij het krat met overgebleven brood naar het Leger des Heils. Het gebak nam hij mee naar huis.

Want zij hield er zo van. At alles gretig op. En soms extra, om hem te plezieren. ‘We willen niet goede waar weggooien!’ zei hij altijd. Meer aanmoediging om de laatste roomsoezen te verorberen had ze niet nodig.

En met de jaren zakte haar passagiersstoel dieper naar de bodem van de auto. Hij maakte te fijne taarten, ze werd zwaarder. En dat maakte haar – en hem – niets uit. Maar ze raakte wel met steeds meer moeite uit de auto.

Het werd tijd voor een nieuw vervoersmiddel. De auto werd verkocht.

Aan een twintiger die er elke dag mee naar haar werk rijdt. Op de passagiersstoel liggen dozen met boeken. De achterbank is een vergaarplek van jassen, sjaals, oude verpakkingen en spaarpunten.

En soms als ze bij het stoplicht staat, kijkt ze naar de stoel van de bakkersvrouw. Zoveel lager. Zo ingezakt. Ze glimlacht dan, trekt voorzichtig op om de vervlogen herinnering van de vrouw niet naar de handgreep te laten reiken.

En heus. Dan ruikt ze immer een vleugje brood en taart.

 

 

 

 

Leave a comment