Uit 't Copy van Clason

25 maart 2020 Er was eens

De zeemeerman

Ik zie zijn schaduw eerder dan de man zelf. Ik kijk op en zie een rug, benen.

Het is een man op leeftijd. Een bruine huid, gerimpeld. Maar door deze laag zie je zijn spieren. Zijn witte haar is het enige dat licht en fragiel lijkt.

De wind speelt er vrijpostig mee.

De wandeling van de man stopt in de branding, daar waar mijn kind speelt. Heel even kijkt de jongen naar de oude man die op een kleine afstand naast zijn zandkasteel is gestopt.

Kaarsrecht staat de wandelaar, zijn hand boven zijn ogen tegen de weerkaatsing van het zonlicht. Dan kraakt hij zijn nekwerkvels door zijn hoofd eerst op zijn linker- en dan op zijn rechterschouder te laten rusten.

Hij strekt zijn armen uit, bolt zijn rug en raakt als een jonge atleet zijn tenen aan.

Het kind zwaait naar mij. Ik zwaai terug.

De man is klaar met de fysieke voorbereiding en wandelt in één rechte lijn, rustig, zoals hij ook over het strand liep, het water in. Steeds verder, steeds dieper. Tot ik alleen nog maar zijn armen zie.

De wandelaar wordt een zwemmer en verdwijnt met rustige slagen in de zee.

Hij is geen toerist zoals ik, dat durf ik zomaar te beweren. Toch kijk ik even om me heen. Wie hoort bij hem? Waar zijn zijn spullen? Zag de strandwacht verderop dat hij aan het zwemmen is?

Het kind duikt naast me in het zand.

‘Zag je die meneer?’ vraag ik hem.

Hij kijkt achter zich.

‘Die zwemmende meneer?’ leg ik uit.

‘Oh’, zegt hij terwijl hij het zand als een zandloper uit zijn vuist laat lopen.

‘Dat, mama, was geen meneer’, antwoordt hij.  ‘Dat was nou een echte zeemeerman.’

Hij knikt er tevreden bij.

Ik kijk naar de zwemmende stip aan de horizon. Verder en verder weg. Ik blijf turen, hem in de gaten houden. Net zolang tot hij weer aan land komt.

Want zelfs zeemeermannen moeten soms weer naar huis.

Met of zonder hulp.

 

Leave a comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.