Uit 't Copy van Clason

De reünie

De geur bij aankomst is onmiskenbaar. Zuur. Verschraald. Muf en toch vertrouwd. Sommige mensen zijn nooit weggeweest. Ik zie ze nog vaak. Anderen leefden elders hun leven.

En hoewel ik daar ben waar ik ooit was, ben ik er nu pas echt. Twintig jaar later voel ik me zoals ik me toen had willen voelen.

Dus praat ik met oude gezichten met bekende ogen. Open en eerlijk. Want we zijn soms gehavend, vaak getekend en zeker moegestreden van het moeten zijn.

Bij het toilet passeer ik een meisje en ineens zie ik mezelf door haar ogen: een veertiger, op veel te hoge hakken, in een studentenkroeg. Een vrouw uit een andere eeuw op bezoek bij vroeger.

Ik loop terug. Het meisje kijkt me vragend aan. Ik glimlach en ze glimlacht terug. Dan werk ik mijn lipstick bij. Net zolang tot het meisje verdwenen is.

 

24 september 2012 Er was eens

Voor altijd

We zitten in de auto en staan stil onder de bomen. Ik ben misselijk en heb honger tegelijk.

“Zullen we wegrijden”, fluistert hij. Ik moet lachen. “Niks ervan. Je komt er nu niet meer onderuit. Je bent zo de pineut.” Hij pakt mijn hand en geeft er een kus op.

We zwijgen en wachten. Een man laat zijn hondje uit. Hij blijft even staan en steekt zijn duim naar ons op. Gelaten knikken we naar hem. De minuten duren uren.

Eindelijk. Het sein. Langzaam rijden we naar het grote witte huis midden in het park.  Iemand opent de deur en ik stap uit de auto. Hij stapt ook uit en we lopen samen de trap op.

Hij in pak. Ik in de mooiste jurk die ik ooit droeg.

Hij lacht naar me en zegt zachtjes: “Nu! Rennen!” Als antwoord steek ik mijn tong naar hem uit.

Omdat hij zó de pineut is. En omdat ik het leuk vind om zo voor altijd op de foto te staan.  Al 11 jaar lang.

18 september 2012 Er was eens

Op reis

“Nee”, zegt het meisje. “Helemaal volgeboekt. Gaat niet lukken.”

Vertwijfeld kijken we elkaar aan. En nu?

Het meisje, zoals ik later wil zijn, leunt achterover en kijkt ons bedenkelijk aan. ‘Hoe oud zijn jullie?”  “Wij zijn 16”, zegt mijn vriendin.

Ze knikt opgetogen, buigt zich naar voren en pakt twee inschrijfformulieren die ze naar ons schuift.

“Kijk, zegt ze. “InterRail. Helemaal iets voor de eerste keer zonder mama en papa. Gewoon lekker met een rugzak en dan maar zien waar je naartoe gaat. Heerlijk. Vier weken lang alle landen van Europa aan je voeten, wat wil je nog meer. En het kost net zoveel als dat wat je eerst wilde. Kom, geef je paspoort maar even, dan maken we het gelijk in orde.”

Een half uur later staan we buiten.

“Hoe gaan we dit nu vertellen thuis”, stamelt mijn vriendin. Ik raak lichtelijk in paniek, maar voel ook een opwinding die ik nog niet ken. “O, god”, zegt ze met trillende stem. “Ik ben nog nooit verder dan België geweest.”

Thuis leest mijn moeder de krant. “En?” vraagt ze. “Met welke groepsreis gaan jullie zeilen?” Ik ga naast haar zitten en haal eerst eens diep adem.

 

14 september 2012 Er was eens

Chaos

Praten is denken. Tenminste, voor mij. Als ik praat, denk ik hardop. Ik bewandel zoveel zijwegen dat jij halverwege niet zeker meer weet of ik nog wel naast je loop.

En dat is niet altijd zo handig. Niet voor mezelf. Niet voor de mensen die bij me wonen. Ook niet als je met me werkt.

Gelukkig kom ik veel van deze chaotische sprekers tegen. Zelfs opmerkelijk veel. Heel de wereld van de communicatie en marketing kent dit soort spraakwatervallen. Om nog maar te zwijgen over de bureaus waar art directors…

Maar goed, ik dwaal af.  Van de hak op de tak dus. Met veel woorden en tussentijdse vragen.

Ik wist dat ik het deed. En lachte mee met grappen in de vriendenkring. Maar ineens viel me op dat nieuwe opdrachtgevers een soort opluchting uiten in hun reacties op tekst. Ook geïnterviewden lijken blij verrast.

Ik neem een greep: “Joh, dat jij zo kort en bondig schrijft” of  “Dat jij uit ons gesprek nog de rode draad hebt kunnen halen.”

Waar ik maar mee wil zeggen: er is werk aan de winkel. Ik schrijf beter dan dat ik praat. Daar ga ik eens wat aan doen.

Of niet. Daar denk ik nog even hardop over na.

10 september 2012 Er was eens

Identiteit vorige eeuw

Ze kijkt rond. Een bed, een tafel, een stoel. In de hoek een televisie met een antenne erboven. De antenne heeft ’t moeilijk en wordt rechtop gehouden door twee touwtjes die weer met punaises in de schuine houten wand zijn geprikt.

“Wat is er met jouw kamer”, vraagt ze. In haar tas zoekt ze naar een pakje sigaretten.

Verstoord kijk ik ook een rondje. “Niets”, antwoord ik twijfelend.

“Precies”, knikt ze, terwijl ze de rook in ringetjes uitblaast. “Het is helemaal niets.”

“Nee, ik bedoel…” begin ik, maar voordat ik haar kan verbeteren, staat ze zuchtend op.

“Luister”, zegt ze. “Het wordt tijd dat je beseft dat je op kamers woont. Wóónt. Niet op bezoek bent.” Met een hand in haar zij, wijst ze naar mijn inboedel. “Dit is dus niets. Ik zie helemaal niets van jou. Niet eens wat losse kleren op de grond. Een foto. Een beetje het gevoel dat er wordt geleefd. Dit kan niet meer. We studeren nu al meer dan een jaar en je kamer lijkt wel onbewoond.”

Ongerust kijkt ze me aan. En ik knik braaf. Ze steekt een nieuwe sigaret op, komt naast me op het bed zitten en slaat een arm om me heen. Ik voel tranen prikken en weet dat ze gelijk heeft. Het wordt tijd dat ik nu écht op mezelf ga wonen.

“Het komt wel goed”, zegt ze. En ze neemt een hijs.

4 september 2012 Er was eens

De verleiding

Hij kijkt me afkeurend aan. Wil eerst helemaal niets als ik hem aanraak. Ook niet als ik liefkozend aai. Zelfs niet als ik erbij praat. Ik schud hem heen en weer. Draai hem op zijn rug. En laat hem dan maar liggen.

Ik ga voor het open raam staan en ruik de herfst in de lucht. Achter me staan de koffers. Onuitgepakt. De boeken liggen er wel naast, verfomfaaid, door zon, zand en wind. Een geluid. Ik schrik ervan en moet zelfs even nadenken wat dat ook alweer is.

Hij is het. Ik kijk naar hem, liggend op zijn rug. Hij knipoogt naar me. Verleidt me. Maar het leven is nog loom en ik keer hem mijn rug toe. Dat deed ik immers al veertien dagen.

En daar werd na twee dagen de lucht ineens zo blauw van. De geuren zo intens. En het papier lonkte en ik las zoals ik één keer per jaar kan lezen.

De echte man loopt de keuken in. “Je telefoon”, wijst hij. Ik knik en pak de onwillige hij op. Heel even kijk ik op het scherm. Kort genoeg om te voelen waarom ik morgen weer overstag ga.

Maar vanavond nog niet. Vanavond luister ik naar de Fado in mijn hoofd…

 

30 augustus 2012 Er was eens

Hypocriet

Achteraan. Of in het midden. Soms halverwege, om toch maar naar het begin terug te bladeren. De laatste zin. Of van streamer naar streamer. En kan ik me niet bedwingen? Dan lees ik heel de inhoud achterstevoren.

Nooit, helemaal nooit, begin ik met de kop om netjes het stuk naar beneden af te lopen.

Het maakt trouwens niet uit of het een tijdschrift is of een krant. Ik behandel ze hetzelfde. Ik begin daar waar ik wil. Evenals in het artikel zelf. Kriskras. Diagonaal. Of van favoriet naar favoriet. Ik scheur –want nergens een schaar te bekennen – en bewaar het gescheurde opdat ik zal onthouden.

Het is hypocriet. Vooral als je weet dat ik me dagelijks met de wie-wat-waarom-wanneer-vraag bezighoud. En dat ik juist wil dat jij wél bovenaan begint en mijn stukjes van a tot z leest. Keurig op volgorde.

Want ik vind het niet goed als je onderaan begint. Of halverwege. Dat is namelijk raar. Extreem raar.

13 augustus 2012 Er was eens

Opgeruimd type

Ze lopen lachend het huis binnen. Vragen of ze op de DS mogen en als ik zeg dat het daar veel te mooi weer voor is, halen ze hun schouders op.

Dochter hangt in de deurpost en ineens lijkt ze zo groot. Vriendje springt van het ene op het andere been en staat dan ineens stil.

“Jeeeeeee…”, zegt hij, terwijl hij de huiskamer rondkijkt. “Djeeezzz… bij ons thuis is het altijd veel netter.”

Dochter lacht en kijkt mij nieuwsgierig aan.

“Zo”, antwoord ik en kijk hem aan. “Vind jij dat?”

“Ja”, zegt hij vrolijk. “Echt vet netjes is het bij ons. Wij hebben niet zo’n wasmand en zoveel boeken en…”

Ik onderbreek hem: “Ja, ja… ik begrijp het.”

Heel even is het stil en kijken we elkaar aan. En dan kan ik het niet laten.

“Jouw moeder vindt het vast veel leuker om op te ruimen dan ik”, zeg ik vals.

Heel even krijgt hij een frons. En net als ik mijn opmerking wat wil nuanceren, lacht hij stralend en zegt: “Weet je, dat denk ik ook.”

9 augustus 2012 Er was eens

Vandaag en morgen

De brievenbus wordt elke dag om 18:00 uur geleegd. En iedere dag zie je hem langs het raam lopen met een brief. Nog een paar seconden heeft hij voordat de man van PostNL de bus leegt.

Soms redt de man met de brief het eigenlijk net niet. Dan kondigt hij zich aan het eind van de straat al zwaaiend aan. Hij roept: “Wacht even, ik kom eraan.” Of simpelweg: “Hee…”

De postmedewerker rijdt nooit weg. Antwoordt slechts kalm dat hij op hem wacht.

Iedere dag praten ze even samen. Je kunt net niet verstaan wat ze tegen elkaar zeggen.

Zou de postmedewerker hem nooit vertellen dat hij écht om 18:00 uur moet legen? Of hem vragen waarom hij niet eerder de brief post, maar steeds op het laatste moment? En waarom iedere dag een brief? Waarom?

Je weet het niet…

Wel weet je dat de man elke dag kijkt hoe de postmedewerker zijn brief tussen de andere brieven legt. Dat ze afscheid nemen. En als de man weer naar huis loopt en het busje hem langzaam inhaalt, steken ze de handen naar elkaar op.

En ook weet jij dan, net als zij, dat het morgen net zo’n dag wordt als vandaag.

6 augustus 2012 Er was eens

Niet zo gek

Vraag aan mij waar ik woon en ik zal je eerst eens goed bekijken.

Wat zal jouw antwoord zijn als ik je vertel waar ik mijn huis heb staan?  Waar ik in vijftien jaar tijd een mevrouw werd, trouwde en ja hoor, twee kinderen kreeg?

Ik probeer me jouw leven voor te stellen en jouw afkeer in te schatten. In mijn hoofd rangschik ik alle antwoorden die ik kreeg.

Sommige antwoorden waren aardig – of zo bedoeld. Maar de meeste zijn toch ronduit minder motiverend. Zo duidelijk dat de bijna 195.000 mensen die met mij in deze stad wonen,  vaak liegen over de plek waar hun huis staat.

We wonen ‘dicht bij Amsterdam’ of ‘Centraal in Nederland’. We wonen zelfs tegen de grens van een stad of op het randje van, maar niet vaak er middenin. In Almere. Kuch.

Nee, we hadden ook nooit gedacht dat we hier zouden blijven. En ja, we begrijpen je walging, uiteraard. Ja, hè, hè. Stel je voor zeg en nou nou…

We begrijpen het best. En willen ook wel met je meepraten. Voor even dan.

Want we zijn wel gek hier met z’n 195.000’en. Maar niet zó gek.

 

2 augustus 2012 Er was eens