Uit 't Copy van Clason

De doos

We zitten aan tafel met drie jonge ingenieurs. Het is 1996 en we zijn ons aan het voorbereiden op een beurs in Duitsland.

Terwijl ze een appeltje schilt, vertelt de beste  leidinggevende die ik ooit had wat ze in haar hoofd heeft. Over haar leesbril kijkt ze de jongens streng aan als ze haar monoloog eindigt met de woorden: “En op jullie stand moet natuurlijk een doos staan.”

De jongens zijn in verwarring. ‘Een doos?” vraagt een van hen.

Geërgerd legt mijn heldin haar aardappelschilmesje neer. “Ja, een doos.”, zucht ze.

Ze rolt met haar ogen. “Een doos, heren. Die hoort op jullie stand. Want daar zitten mensen graag aan.”

Ze staat op en draait haar rug naar de jongens. Daardoor ziet ze niet dat zij met open mond aan tafel zitten.

“Meent u dat nou?” stamelt de jongste. “Een doos? Om aan te zitten???”

Het is tijd om in te grijpen.

“Ze bedoelt een computer”, grijns ik. “Ze noemt een computer een doos.”

De jongens lachen opgelucht en leunen achterover.

“Ze dachten dat je een meisje bedoelde”, leg ik mijn verbaasde leidinggevende uit. “Dat noemen zij ook wel een doos.”

Minachtend schudt ze haar hoofd.

“Wat een onzin”, snuift ze. “Dan had ik wel standpoes gezegd.”

30 juli 2012 Er was eens

Zonder woorden

‘Nou, laat ik het zo zeggen’, zegt de man. Hij kijkt naar zijn handen. De vrouw zegt niets. Ze zucht en kijkt dan naar buiten.

‘Ja.. eh…’, de man haalt zijn handen door zijn grijze haar. De vrouw staart.

‘Dus…’, de man haalt diep adem en kijkt de vrouw dan aan. ‘Vind je niet?’

De vrouw maakt haar blik los van het raam. Ze kijkt hem aan en knikt. ‘Ja, dat vind ik ook’, zegt ze zacht en ze drukt op het stopknopje.

De bus stopt en ze stappen samen uit. Buiten strijkt zij zijn haar glad. Hij pakt de boodschappentas op en loopt voor haar uit.

De bus haalt de twee in en als ik me nog één keer omdraai om naar ze te kijken, zie ik ze nog net lopen. Hand in hand.

 

26 juli 2012 Er was eens

Vluchten anno 2012

Het is net 1995. Een dag of vier. En ik zit in een taxi in Jakarta. Samen met hem. Hij die zo nodig een half jaar stage wilde lopen aan de andere kant van de wereld.

We hebben weer een beetje aan elkaar moeten wennen. Maar na twee weken weten we dat we elkaar zullen missen. Ik wil wel langer blijven, maar moet echt terug naar Nederland. De decaan snoof immers en zei: “Als je er niet bent op 5 januari 1995, kun je het afstuderen wel vergeten dit jaar.” Dus moet ik terug. Echt.

Het probleem is alleen dat mijn vlucht zo vertrekt. Over een minuut of twintig. En ik zit nog steeds in de taxi, al ruim twee uur. Dat ligt niet aan mijn enorme reistalent, maar wel aan de moesson die genadeloos het hele verkeer stagneert.

Gelukkig. We zijn er. Samen sprinten we naar binnen. Ik hol langs de beveiliging en zie de gate sluiten. Wanhoop en tranen. Smeekbedes bij de balie, maar het mag niet baten. Morgenochtend kan ik pas weer mee.

Samen slapen we bij een vriend van hem in Jakarta. Dicht bij het vliegveld. De volgende dag gaan mijn jetlag en ik naar college. En dat jaar studeer ik braaf af.

En nu denk ik: Waarom? Omdat je jong bent en denkt dat de hele wereld vergaat als je niet afstudeert?

Daarom even een mededeling. Mocht ik deze zomer een vlucht missen. Dan weet je dat ik daar blijf. Lekker lang. Ondanks deadlines, ja zelfs als het moet.

Juist dan.

23 juli 2012 Er was eens

Gevangen

En daar sta ik dan. Midden in de hoofdstraat, te luisteren naar muziek. Want cello.

En dan breekt mijn hart open. Of in twee stukken. Dat is om het even. En eigenlijk komt het natuurlijk niet uit, zo met mijn ene been al bij de afspraak, maar met mijn hoofd totaal ergens anders. Ik kan het niet helpen. De cello vangt me, elke keer opnieuw.

Gevangen in de grip van melancholie, volg ik de noten. Ik luister alsof tijd er niet toe doet. Zijn het vijf minuten? Tien? De cellist stopt, legt de strijkstok neer en wrijft in zijn handen. De betovering is verbroken.

Ik  recht mijn rug en loop snel weg. Mijn afspraak wacht.

19 juli 2012 Er was eens

0 cent/minuut

Dit informatieblog kost je nul cent per minuut. Dat is maar goed ook, want je zou wat centen kwijt kunnen zijn. Zoals ik vandaag bij KPN. Over kastje en muur gesproken. En mannetjes maar te zwijgen. Hoewel, vandaag waren het vrouwtjes.

Maar goed, wat is nu aan de hand? Stel, je krijgt glasvezel. En je denkt: goh, laat ik eens digitaal televisie kijken na jaren analoog. En weet je wat, dat doe ik bij KPN, lekker makkelijk, daar heb ik ook telefoon en internet.

Een klein detail, ik heb een eigen site, KPN is domeinhouder, dat wil ik dan ook houden. Dat kan natuurlijk. Grote stilte. Dat kan dus niet. Nou ja, dat kan wel, maar ook een beetje niet. Okay, wel, maar dan moet je het administratief verhuizen naar – en nu niet lachen – naar KPN.

Ik vat het voor je samen: ik moet mijn site bij KPN verhuizen naar KPN. Volg je me nog?

En weet u, zegt KPN: Mevrouw, daar hoeft u alleen maar een 0900-nummer voor te bellen. Een uur. Minstens. En dan krijgt u vijf medewerkers aan de telefoon waarvan er eentje boos wordt dat u nou juist dat nummer belt. En een andere medewerker laat spontaan zijn computer crashen. Helaas, jammer, hij mag u niet terugbellen.

Een derde medewerker wordt er zelf ook nieuwsgierig van en gaat het een tijdje voor u uitzoeken. De vierde zegt: nee, we vinden u helemaal niet een suf ZZP’ertje. En de vijfde belt u vanavond terug.

Maar ik schijn ’t wel te hebben straks. Glasvezel. En mijn site. En mail.

Maar mocht je me niet meer vinden. Ik ben bereikbaar op mijn mobiel. Van Vodafone. Mits ik niet teveel naar de rechterkant van Nederland reis. Maar dat mensen, is weer een heel ander verhaal.

 

 

17 juli 2012 Er was eens

Prik

“Laat ‘em toch schat”, zegt ze in onvervalst Amsterdams. “Heerlijk wat afleiding.”

Ik stribbel een beetje tegen, probeer de zoon tot de orde te roepen, maar ze pakt mijn hand. “Mijn man is dood”, zegt ze. “Zomaar. Ineens. Hij had een bacterie en in een week was het bekeken.”

Ze kijkt voor zich uit. “En weet je, iedereen heb het ook zo druk tegenwoordig. Dat is ook normaal hoor, maar ik loop er zo een beetje tussen. Tussen dat leven en ja…”

Ze kijkt naar haar hand die mijn hand vastheeft. “O, sorry. Dat is ook wat”, verontschuldigt zij zich en laat mijn hand abrupt los. Ik schud mijn hoofd: “Niks ergs aan.”

Hij houdt op met spelen en komt bij ons staan.

“Ben jij een oma?” vraagt hij.

Ze knikt.

“Moet je ook een prik?” zegt hij.

“Ja, jij ook?” vraagt ze. Nu knikt hij.

Ze kijken elkaar aan.

“Dan heb jij ook een rotdag”, vindt hij en klimt op de stoel naast haar.

Ze knikt, rommelt even in haar tas en pakt dan opnieuw mijn hand.

 

 

10 juli 2012 Er was eens

Sale

Ze buigt zich naar voren, kijkt schichtig even om zich heen en fluistert iets onverstaanbaars.

“Sorry”, zeg ik. “Ik versta je niet.”

Weer buigt ze zich naar voren, dit keer gaat ze dieper door de knieën.

“Sale. Bij V&D. Veel goedkoper dan hier.” Ze krijgt een verbeten trek om haar mond.

“Oja”, antwoord ik maar op goed geluk.

“Ja, leg maar neer. Ik zeg ’t je, scheelt echt 40%.” Ze gaat weer rechtop staan en moedigt me met een knikje aan om de nagellak terug te leggen.

Als ze ziet dat ik aanstalten maak om haar advies op te volgen,  gaat ze met een voldaan gezicht verder met het inruimen van de schappen.

“Dag mevrouw”, roept ze vrolijk als ik de winkel verlaat. Op weg naar de V&D. Want wie weet het nu beter, zo’n meisje van de Douglas, denk ik.

5 juli 2012 Er was eens

Ingehaald

Het is windstil. Met muziek op mijn oren fiets ik langs het water, rem af voor overstekende ganzen, en zie in de verte een bootje dobberen.

Ineens word ik ingehaald, twee mannen. Ze zijn begin 70, bruin van de zon en behoorlijk pezig. Ze praten en lachen. Wijzen naar het bootje en trappen rustig door.

Hun snelheid is verbluffend, ik zet een tandje bij en probeer ze bij te benen. Letterlijk. Maar de afstand tussen ons wordt steeds groter.

Dan pakt een van de mannen de arm van de ander, terwijl ze fietsen. Hun lach weerklinkt. Kalm halen ze een zwetende wielrenner in.

Ik weet het nu zeker: dit doen ze elke dag. Samen. Rondje water, weer of geen weer. Wielrenners inhalen, luid lachend.

De wielrenner stapt af. Hij kijkt naar zijn fiets. Hij heeft geen oude Gazelle, zoals de mannen, zie ik als ik langs hem fiets. En dat is het natuurlijk. Op een oude fiets moet je het leren. Dan word je nooit ingehaald.

In de verte zie ik nog net twee stipjes. Die zijn nergens bang voor, zelfs niet voor de tijd.

 

2 juli 2012 Er was eens

Uitlachen

“Ja joh”, begint hij. “Het begint helemaal te lopen hoor. Mensen komen bij me omdat ze over me gehoord hebben. Weet je wel. Er wordt wat gepraat hoor, door de mensen.”

Tevreden kijkt hij me aan. “Echt een gevalletje van mond-op-mondreclame, weet je wel”, voegt hij eraan toe.

Ik denk even na… zou het pedagogische trucje, ooit geleerd om de kinderen wat subtieler te verbeteren, ook bij deze man werken? Ik probeer het: “Ja, daar moet je het denk ik ook van hebben. Van mond-tot-mondreclame.” Ik heb de klemtoon heel lichtjes op de ‘tot’ gelegd.

Hij knikt, neemt een hap van zijn appel en kijkt me even aan. “Grappig”, zegt hij. “Ik dacht dat jij van alles over de Nederlandse taal wist, met je vak en zo… Maareh… het is echt niet mond-tot-mond hoor. Ik denk, ik zal het maar even zeggen. Voordat de mensen je uitlachen.”

Hij pakt z’n fiets, knipoogt naar me en fietst dan weg. Naar al die mensen, denk ik zomaar.

28 juni 2012 Er was eens

Niets te vertellen

Er is iets raars gaande. Ik noem het maar even zoals het is: ik heb echt niets meer te vertellen. Eigenlijk heb ik dat wel, maar het wordt niet zo prettig ontvangen.

Stel je dit voor: je bent met vrienden die je niet zo vaak ziet of spreekt. Immers, allemaal druk leven, bellen komt er niet van. Dus ga je er eens lekker voor zitten en barst los. Toch?

De laatste jaren, twee in mijn geval, gebeurt het echter heel vaak dat ik met een zin begin en luidruchtig wordt onderbroken met: “Oja, weet ik al.”

Heel even ben ik dan van slag, want ik weet gelukkig nog een aansluitende anekdote, waarop de ander zegt: “Ja, ook al bekend.”

Het duurde even voordat ik het begreep, maar het is de schuld van Twitter. Die 140 tekens worden gelezen en hebben geen aanvulling nodig. Dat is demotiverend, kan ik je vertellen.  Want niemand, echt niemand, komt er graag achter dat hij of zij al die jaren ervoor veel te veel woorden heeft gebruikt. Het is ontluisterend.

25 juni 2012 Er was eens