Uit 't Copy van Clason

18 december 2017 Er was eens

Kijkers en dromers

Ik noem ze de raamkijkers. En als ze in het niets staren zijn het de vensterdromers. Soms kan ik alleen een silhouet zien, een schim. De andere keer weet ik zelfs wat hij of zij draagt. Meestal houden ze iets vast. Een glas. Een mok. Ze poetsen hun brilglazen. Of dragen een kind op hun arm. Ze strelen een kat op de vensterbank. Vegen een vlek weg die hun blikveld vervuilt.

De raamkijkers zijn talrijker dan je denkt. Ik tel er op een ritje van een kwartier zo wel acht. Acht mensen die op het moment dat de bus passeert uit het raam staren of kijken. Om te zien of ze straks een regenjas moeten dragen. Omdat ze geen zin meer hebben in Franse woordjes leren. Omdat ze het huishouden moe zijn. Of uitkijken naar een gast.

En dan te weten dat ik slechts langs de huizen rijd die op mijn route liggen. Niet weet hoeveel mensen in de straten hierachter ook door het glas turen. Dat soort gedachten maken mijn wereld nu en dan duizelingwekkend onoverwinnelijk.

Vanmorgen was ik een raamkijker. Ik keek naar de Eucalyptus aan de andere kant van de ruit. Naar het wolkendek. Aan de overkant ging het gordijn open. Het buurjongetje blies zijn adem tegen het raam en tekende in het condens. Daarna duwde hij zijn neus tegen het glas. Zag hij mij? Nee. Hij was een vensterdromer.

Of toch niet? Plots stak hij zijn arm omhoog en zwaaide naar me. Ik zwaaide terug. Van een kijker en een dromer veranderden we in twee mensen die elkaar zien. Zomaar, op een maandagochtend. Mooi man.

 

 

Leave a comment