Uit 't Copy van Clason

Gestrikt

Ik was de lente kwijt. Maar als ik de winkeldeur open, weet ik: ze is hier. Tulpen, ranonkels en rozen begroeten me bij binnenkomst.

De man staat ineens voor me. Hij bekijkt me van top tot teen, veegt zelfs wat sneeuw van mijn jas en begint een boeket samen te stellen.

“Dat is nog eens leuk”, prevelt hij. “Een klant. Vandaag. Terwijl er niet eens gestrooid is.” Hij houdt zijn verzameling bloemen voor mijn ogen.

“Ik wil graag zelf iets kiezen”, glimlach ik, terwijl hij nog steeds praat.

Een beetje gekrenkt schikt hij het door hem samengesteld boeket in een vaas. “Zonde”’, mompelt hij, volgens mij tegen de bloemen.

Terwijl hij verder keuvelt over de sneeuw en de huizenprijzen haalt hij uit vrijwel elke emmer een bloem en laat ze passeren alsof ze op een catwalk lopen. Ik schud mijn hoofd. Ik weet wat ik wil, maar de man gaat volledig in zijn verhaal op.

Nu houdt hij vertederd een bosje tulpen omhoog. Ik moet ongemerkt geknikt hebben, want hij pakt nog een bosje en praat en schikt de bloemen tot een uitbundig geheel.

Dan stopt hij. Kijkt ernaar. Volledig in stilte. De strik in zijn hand zweeft boven de bloemen. “Ik wil graag afrekenen”, stoor ik.

Driftig tikt hij op zijn kassa. De la gaat open, ik betaal en pak de tulpen. Even aarzel ik, kijk naar de strik, nog steeds in zijn hand.

“Die hoef ik niet”, zeg ik. De man staat echter roerloos achter zijn toonbank. Dan schiet zijn hand naar voren en met een triomfantelijke blik plakt hij de strik bovenop de tulpen.

Ik kijk naar de bloemen, gestrikt als zoete wraak, en lach.

 

7 februari 2013 Er was eens

Onbeschrijfelijk

Het is zo koud dat slenteren niet verstandig is. Maar deze weg wil ik rustig lopen. Mijn gedachten ordenen. Voordat ik straks weer in de huidige tijd ben.

Het verleden was even tastbaar en heeft me zo verrast dat ik dat gevoel wil vasthouden. Al is het maar tot de volgende deur die geopend wordt. De drempel leek voordien zo hoog. De herinneringen waren niet de mooiste.

En daar waren ze. De tieners van toen. Ik keek in hun ogen en zag de jongens in de mannen die ze nu zijn. Onder hun rimpels van blijdschap en verdriet. En compleet onverwacht voelde dat als thuis.

Dus loop ik hier in de vrieskou, bijna middernacht, met mijn handen in mijn zakken. Ik laat hun herinneringen de mijne inkleuren. En ik voel mij onbeschrijfelijk bevrijd.

28 januari 2013 Er was eens

Present

Mijn mond is droog. Nog erger. Mijn tong zit aan mijn gehemelte geplakt.

Zou iemand het zien dat mijn knieën een eigen leven leiden? Dat ze trillen. Net als mijn handen en straks natuurlijk ook mijn stem? Het podium ziet er zo hoog uit. Als ik maar niet val. Stel je voor dat ik val.

O mijn god, ik ga natuurlijk vallen.

Ze steekt een duim naar me op. Ik knik terug. Glimlach snel als ik haar ongerustheid zie. Alsof ik wil zeggen: “Het gaat allemaal goed komen. Natuurlijk. Ja joh… Ik en mijn grote mond. Net van school, weet alles hoor. Dit? Eitje. Dat kan ik wel.”

Het is zover. Daar sta ik. Op het podium. Het publiek kijkt me aan. Hoe lang kijk ik terug? Het is te stil, ik kuch. Mijn handen bibberen als ik naar de steekwoorden kijk.

“Zo”, zeg ik. Ik kuch nog eens.

“Welkom bij de training ‘Presenteren kun je leren’.”

14 januari 2013 Er was eens

Zinloos

Dag cursor. Knipper maar. Doe dat maar. Ik staar en kijk naar je.

Borrelt er iets op? Nee. Het blijft rumoerig, de woorden blijven weg, ze zweven door mijn hoofd, tuimelen door elkaar. Het worden geen zinnen die ertoe doen.

Geen enkele zin.

Je knipoogt. Ritmisch. Nee, het is dwingend. Ik typ. Ik wis. Ik typ. Ik wis.

Nu veeg ik het stof van het scherm, zodat ik je nog beter zie. Muziek dwarrelt door de lucht, ik kan het bijna pakken. Waren het maar letters. Dan zou ik je wel krijgen, met je geknipper. De muis gaat naar de rechterbovenkant en klikt op het kruisje.

Dag cursor. Vandaag ben ik zinloos.

9 januari 2013 Er was eens

Spiegel

Ik zie ons. Weerspiegeld in de ruit. Vrouwen die lachen en praten. Die hun verontwaardiging op tafel gooien. Hun verdriet voorzichtig delen. De vreugde omarmen van goed nieuws.

We wonen verspreid door het land. Zijn soms maanden van elkaar verwijderd. Jaren, kan het ook zijn.

Maar nu zijn we hier.

Met een vleugje heimwee naar de onbezorgdheid van vroeger. De mannen die wie links lieten liggen omdat rechtsaf beter was. Het werk dat zo belangrijk werd. De kinderen die we wilden. De dromen die er nog zijn. De wensen die ons parten spelen.

We proosten op al die jaren. Op elkaar.

Ik kijk in de ruit. En ik zie ons.

10 december 2012 Er was eens

Warrig

“Ben je in de war?” denk ik te verstaan.

Ik ben even stil.

Ben ik in de war? Ik vind het een intrigerende vraag. Een vraag die bij mij weer vele vragen oproept. En die er dus voor zorgt dat ik inderdaad verward raak.

Ik ben te lang stil. Je kijkt me aan. Vragend. Dus geef ik antwoord op de vraag die ik dacht dat je me stelde.

“Soms wel. Soms niet.”

Je krijgt een frons. Dan ineens een grote lach. Je praat en praat. Onverstaanbaar mooie zinnen. Je gezicht laat allerlei emoties zien. Dan geef je me eindelijk het pakje en je loopt naar je bus.

Ik sluit de deur en hoop dat ik je de volgende keer weer niet versta.

4 december 2012 Er was eens

Hartendief

Hij loopt naar het water. Als het zijn voetjes raakt, springt hij achteruit. Zijn lach hoor je nog net boven de brekende golven uit.

Hij strekt zijn armen boven zijn hoofd, zijn benen staan uit elkaar.

En dan staat hij daar. Doodstil. Midden in de branding.

Hij houdt het lang vol. Een man en vrouw wandelen langs en wijzen naar hem.

Hij blijft staan, roerloos. Het water kolkt om zijn voeten, de zon brandt op zijn ruggetje. Zijn ogen zijn gesloten.

Dan ineens vouwt hij de handen ineen, maakt een buiging en zwaait naar de zon. Hij geeft een schop tegen het water en rent mee met de wind.

Mijn vijfjarige kind kust de zon in een zelfgemaakte zonnegroet.

Ik voel het in mijn hart.

 

27 november 2012 Er was eens

De afwas

Zij droogt. Ik was.

“Dus dit deed jij vroeger altijd thuis. Afwassen.” Het is geen vraag, ze weet het antwoord. “Wat erg voor je”, zucht ze en ze staart naar de borden en kopjes die op haar wachten.

Tergend langzaam droogt ze af. Ik heb de neiging om het zelf te doen, maar ik houd me in.

We hummen mee met een liedje. “Leuk liedje”, zeg ik. “Ik vind alleen die zanger niet zo leuk.”

Ze houdt op met drogen. “Hè? Is hij niet leuk?”

Ik schud mijn hoofd. “Hij heeft ooit zijn vriendin zo erg geslagen dat ze naar het ziekenhuis moest.” Ik probeer haar reactie te peilen. Haar verschrikte gezicht zegt me genoeg.

“Wat zou jij doen?” durf ik te vragen. “Wat doe jij als je een vriendje hebt die zegt dat hij je lief vindt, maar hij slaat je wel?”

Nog steeds kijken we elkaar niet aan.

Ze denkt even na en kijkt naar het schuim op het bord. Langzaam drupt het op haar mouw.

“Ik denk dat ik dan naar jou zou gaan. Met al mijn spullen”, besluit ze, duidelijk tevreden met haar antwoord.

“Fijn”, zeg ik. “Dat lijkt me ook het meest slimme.”

Ze draait zich om, zet een ander liedje aan en lacht ineens: “Of ik bel een van mijn vrienden, die leert hem wel een lesje.”

Ik laat het water weglopen. Morgen wordt de vaatwasser gemaakt, maar ik denk dat ik hem één keer in de maand defect verklaar.

 

22 november 2012 Er was eens

Hoofdzaken

“Er gebeurt zoveel”, zucht ze, haar handen rusten in haar schoot. De zon schijnt door het raam naar binnen. Een raam vol handafdrukken en vette vingertjes.

“Heb jij nog ruimte in je hoofd?” vraagt ze na een korte stilte.

Ik weet het niet. Haal mijn schouders op. Schud eerst nee, knik dan toch maar ja. En haal weer mijn schouders op.

“Zie”, zegt ze. “Dat bedoel ik. Jij weet ’t ook niet meer of je nog wel ruimte hebt…. Moet je nagaan.”

Dan pakt ze mijn handen vast en ik kijk in haar donkere ogen.

“Maar je moét ruimte in je hoofd hebben, anders gebeurt er veel te veel. Beloof je me dat! Maak ruimte!”

De deur gaat open en ze mag naar binnen.

De man tegenover me glimlacht. “Kierewiet”, zegt hij. “Volledig de weg kwijt dat mens, ruimte in je hoofd, nou, nou…” Hij lacht voluit en leest weer in zijn tijdschrift.

Ik besluit zijn opmerking gelijk te wissen.

Ruimte in mijn hoofd. Het klinkt als het beste advies ooit.

 

 

13 november 2012 Er was eens

Wat vind jij?

Witte leggings. Die mag je niet dragen. Evenals jurkjes van King Louie en uggs. Je haar moet niet te lang en zeker niet te kort zijn. Natuurlijk ga je niet naar een vakantiehuisje en je kijkt niet naar programma’s waar heel Nederland naar kijkt.

Je bent niet te blij. Of te verdrietig. Je gooit niet je complete diaserie in de tijdlijn. Je zegt niet dat je het druk hebt. Maar te rustig is helemaal niet gewenst. Je hebt het onder geen beding alleen maar over je kinderen. Je ouders. Je hond. Of je kat.

Heb je het in je oren geknoopt? Ik las het op Twitter en Facebook, dat wat we met z’n allen vinden. Welke woorden je nog wel en welke je niet meer mag gebruiken. Of je nou net de verkeerde of juist de perfecte schoenen kocht. Je leest hoe stom het is dat je dat programma fijn vindt. Of dat je juist heel hip bent met een bepaalde voorkeur.

Ik word er onderhand tureluurs van.

De lijst met wat wel en niet te doen wordt erg lang. Wat ik vind, wat ik wil, wat ik draag en hoe ik eruit zie. Ik weet het soms niet meer of het wel past.

En ineens, een blijk van herkenning. Want dit had ik ooit eerder. Maar hallo, toen was ik 16. Nog een keer die tijd? No way.

Dus vanaf vandaag boek ik een vakantiehuisje en ga ik eerst zelf kijken naar een programma voordat ik de tl raadpleeg. Ook trek ik al die foute jurken aan, allemaal tegelijk.

En ik stel voor dat jullie dat ook allemaal doen. Jezelf zijn.

Maar wel graag zonder witte legging dan. Want dat kan dus echt niet.

9 november 2012 Er was eens